Ik ben een mens van de seizoenen, ik leef van de lente naar de zomer, naar de herfst en winter, naar de lente. Weer en weer. Misschien daarom wel spreekt een van de gedichten van Jules Deelder me zo aan, telkens als ik dwars door de Europoort rijd en levensgroot op een loods zie staan: Alles blijft, alles gaat voorbij, alles blijft voorbij gaan. Misschien is het ook niet zo toevallig dat vijf jaar geleden tussen allerlei kaarten met teksten juist deze woorden van Deelder er tussenuit sprongen. Ik stond aan de vooravond van rouw na een serie ingrijpende verliezen, met als eerste verlies het overlijden van mijn jongste broer Michel door zelfdoding. Kort erna zouden ook mijn broer Ron overlijden en mijn vader. Het gezin waarin ik opgroeide was gehalveerd. Vanzelfsprekend maakte het niets uit dat ik sinds 1998 rouwbegeleider ben. Ik had en heb een weg voort te zetten met dit verlies. Ik heb ermee te leven. Kort na het overlijden van mijn jongste broer sprong dus die kaart met Alles blijft, alles gaat voorbij, alles blijft voorbij gaan er tussen uit. Ik bestelde een hele stapel om mensen te bedanken voor hun blijken van medeleven. Achteraf gezien, kocht ik die kaart ook als een belofte aan mezelf. Ik denk daar de laatste dagen steeds aan. Ik heb me, denk ik nu, steeds aan de woorden vastgehouden; ook toen mijn vader en Ron stierven.
Als kind dacht ik dat alles er altijd zou zijn, mijn oudste broertje met zijn gekkigheden, verzinner van spannende avonturen, hij durfde zoveel meer dan ik; ik dacht dat mijn vader er altijd zou zijn, dat ik altijd naast hem zou kunnen zitten in de vrachtwagen. Ik mocht zelfs met hem mee toen hij een tijdje geen vrachtwagenchauffeur was maar nachtwaker. Hij was voor niemand bang en liep fluitend door verlaten gebouwen op zoek naar inbrekers. Ik hoorde in de verte zijn voetstappen wegsterven. En zeker dacht ik dat mijn jongste broertje er altijd zou zijn. Met zijn zacht bruine ogen, glanzend. Zijn gegiechel.
Wat hielp, was dat ik me bewust was van de noodzaak van aandacht voor verlies en aandacht voor herstel. Ik wilde koste wat het kost deel blijven uitmaken van deze wereld, naast dat er aandacht zou moeten zijn voor het verlies. Dáar hoefde ik weinig moeite voor te doen. Een paar jaar was de meeste lol grotendeels van het leven af. Als ik naar de heide ging om bij te komen, genoot ik niet zoals anders, van de uitgestrektheid, de rust en stilte; nee, ik maakte foto’s van dode bomen, eentje midden op een veld, of van duo’s en een groepje van drie. Die zou ik dan in serie gaan schilderen bedacht ik. Dat bracht ik niet op. Ik heb wel allerlei andere dingen gedaan, geschreven en alternatieve schilderijen gemaakt; gepraat, gepraat, gepraat; naar muziek geluisterd, gewandeld, gefietst.

En wonder of niet, ik kon ook mijn werk blijven doen, eerst aangepast, gedoseerd, maar toch; mijn verlies is niet het verlies van een ander. Ik moest enerzijds een manier vinden met de achtereenvolgende overlijdens te leven en was anderzijds geen moment op zoek naar ander werk. Ondertussen reisden en reizen mijn vader en broers met mij mee, ieder op hun eigen manier, heel divers, allerlei emoties zijn voorbij gekomen. Hoe dan ook wilde ik weer lol krijgen in het leven. En ineens, uit het niets, op een punt dat ik dacht dat ik nooit meer echt blij zou kunnen zijn, werd het lente. Ik zag raapzaad in de wegbermen omhoogschieten. Binnen enkele dagen was de wereld ermee bezaaid. Net zoals ik ook dezer dagen de wegkanten stralend geel zie kleuren. Net als toen herinner ik me ook nu weer hoe ik met Michel in de auto zat, hij voor de laatste keer tastbaar naast me. Ik herinner me weer hoe we lachten, om de bizarre dingen die we mee hebben gemaakt, hoe het sinds lang goed met hem ging. Hoe de hemel blauw kleurde, en de zon over eindeloze weilanden scheen. In de bermen groeide het raapzaad.

Maassluis, 25 april 2018