Het is vandaag precies veertig jaar geleden dat mijn geliefde en ik na een dag op het strand ‘verkering’ kregen. Die avond draaide ik om een bakelieten telefoon heen; met welk smoesje kon ik hem bellen zodat ik zijn stem weer kon horen. Vertelde hij niet dat zijn zus die dag zou bevallen? Een gepaste aanleiding: was het kindje al geboren? Was het een jongetje of een meisje? Vandaag de dag zouden we waarschijnlijk ik weet niet hoeveel WhatsAppjes naar elkaar sturen. Twee weken terug las ik dat volgens een onderzoek van het CBS 98,2 procent van de 18- tot 35-jarigen een smartphone of telefoon met internet heeft. Uit het onderzoek bleek meer dat mijn aandacht trok.

Maar laat ik eerst nog even teruggaan naar vroeger. Hoe vaak vertelde mijn grootmoeder dat alles ‘toen’ beter was; een tijd waarin paard en wagen nog door haar buurt reed; zij met een deel van haar zeventien broers en zussen op een zolder sliep en waar ze met strootjes speelde, want ja, daar kon zij zich mee vermaken. Ik durfde te betwijfelen of dat inderdaad wel zo leuk was. Diezelfde zolder was trouwens vergeven van de muizen.

Onze kinderen en kleinkinderen hebben zich evengoed afgevraagd of mijn geliefde en ik het wel leuk hadden toen wij jong waren. Was er echt alleen zwart-wit televisie met Nederland 1 als enige zender? Was het echt waar dat ik later met andere kinderen uit de straat bij een buurvrouw op woensdagmiddag naar kinderprogramma’s mocht kijken toen die mevrouw als eerste een kleurentelevisie kocht? Was er eerlijk waar geen Playstation? Wàt deden we dan heel de dag? De grotere en kleinere schermen hebben onmiskenbaar en m.i. onomkeerbaar hun intrede gedaan in ons leven. We kunnen van alles met onze mobiele telefoons doen. Hij lijkt bij velen vastgekleefd aan hun handen, sommigen staan er letterlijk mee op en gaan ermee naar bed … Wat interessant dan dat 82% van de door de CBS onderzochte groep zich weleens ergert aan vrienden of familie die vaak met hun smartphone bezig zijn. Zelf vind ik het bijzonder irritant als ik de ander gedurende een face to face gesprek met een schuin oog naar binnenkomende berichten of ander nieuws zie kijken. Die prikkel kan soms levensgevaarlijk groot zijn. Daarover vertelde een vrouw in een televisie-interview. Haar auto was aangereden door een WhatsAppende vrachtwagenchauffeur achter haar. Deed zij dat weleens? Ja. Zelfs na die aanrijding. “Het is een drang,” zei de vrouw, “ik wìl gewoon weten wat iemand te melden heeft. Het zijn sociale contacten.”

Ik ga niet schijnheilig doen. Ik ben verslaafd aan Wordfeud ofwel digitaal scrabbelen. Ik gebruik regelmatig mijn smartphone om notities te bewaren en foto’s te maken. Ik google dagelijks naar informatie waarvoor ik vroeger een papieren encyclopedie nodig had. Nieuwsgierige drang ken ik evengoed. Hoe dat bij mij werkt merkte ik tijdens een van mijn eerste mindfulness meditaties. Ik oefende om mijn aandacht bij mijn ademhaling te houden, wanneer ik was afgeleid ging ik zo goed mogelijk terug met mijn aandacht naar mijn ademhaling. Ik zat in een kamer aan de straatkant en werd afgeleid door pratende mensen buiten. Wie waren dat? Waar hadden ze het over? Ik voelde in mijn lijf een dwingende neiging op te staan en bij het raam te kijken. Achteraf was het een mooie oefening: die op dat moment voor-mij-vreselijke-belangrijke-informatie-over-wie-het-waren-en-waarover-ze-het-hadden aan me voorbij laten gaan. Terug naar mijn adem. Terug naar waarmee ik bezig was.

Een dag na het interview met die vrouw reed ik in de auto en moest ik invoegen op de snelweg. Er was veel vrachtverkeer. Via de speakers hoorde ik mijn telefoon. Snel drukte ik het knopje op mijn stuur in om het gesprek aan te nemen. Ik was tot dan toe van mening dat handsfree bellen net zo iets is als praten tegen een passagier in mijn auto. Ook dan moet ik weleens tijdens een gesprek zeggen: “Even wachten, even opletten …”. Zo riep ik tijdens dat binnenkomende telefoongesprek naar de speaker een momentje geduld te hebben. Tussen de vrachtwagens door schoof ik twee banen op. Het ging als vanzelf, het ging goed, niemand toeterde. En toch. Ik was me na het invoegen vrijwel direct bewust van het feit dat ik de telefoon automatisch aannam. Ik had hem ook kunnen laten gaan, ik was immers aan het invoegen.

Vroeger kon ik niet in de auto bellen. Was dat beter? Het betekent voor mij iets anders dan dat ik het nu nooit moet doen. Thuis op de bank naar mijn smartphone kijken is denk ik evenmin altijd onwenselijk. We kunnen ons wel afvragen wanneer wel of niet onze telefoon te gebruiken. Bijvoorbeeld als we met elkaar aan tafel zitten. Of als ik kook of een stuk ga fietsen. Is het strikt noodzakelijk om naar mijn scherm te loeren als ik met mijn kleinkinderen een uitstapje maak? Laat ik dan mijn telefoon thuis of doe ik hem in mijn tas met het geluid uit?

In de hal zoemt mijn iPhone. Lekker laten zoemen. Ik schrijf een blog.

 

Maassluis, 28 mei 2018

Mijn grootste doel: de lezers bereiken. Zonder hen besta ik niet, leven mijn verhalen minder.
– Renate Dorrestein –

Lezen en schrijven gaan hand in hand. Ik heb nog leren lezen met de leesplank: Aap, Noot, Mies, Wim, Zus, Jet, enzovoort … De lettergrepen van Wei-de en Scha-pen werden gescheiden door liggende streepjes en boven de zeventien woorden hoorden plaatjes. Aap droeg een rood jasje, Jet speelde met haar pop. Ik kreeg een doosje met losse letters bij de leesplank, ze moesten op dezelfde letters van de woorden neergelegd worden. Na een keer of vijf vond ik er niets meer aan. Ik keek liever naar buiten, naar de kat die omhoog klom in één van de kastanjes op het schoolplein of ik bemoeide me omgedraaid in mijn stoel met andere kinderen. Op mijn allereerste rapport kreeg ik een vijf voor lezen. De juf schreef in keurig schoonschrift: “Jammer, Angela kletst enorm. Ze is snel afgeleid”.

Heden ten dage denk ik dat ik me zat te vervelen. Ik kende toch allang de letters en de woorden? Het was zelfs zo dat ik na schooltijd stiekem éen van de boekjes over Ot en Sien uit de kast meenam omdat we daar nog niet waren en ik wilde weten hoe het verder ging.  Hoe oud was ik toen voor het eerst een stukje van mij in de schoolkrant verscheen? Mijn oma had een handje meegeholpen: het is lente/ de bloemen komen uit/ ik hoor een vogel die fluit/ je hoort hem wel maar ziet hem niet/ ik keek in alle hoeken/ik zocht totdat ik hem vond/maar toen zag ik een grote hond/en blaffen dat hij deed.

Ik ben altijd blijven lezen en heb altijd geschreven. Steeds met helpende handen in mijn omgeving, vooral de handen van veel auteurs. Of ze hun boeken nu schreven met een pen tussen de vingers, achter een tekstverwerker of beide. Want om verhalen te bedenken en ze op te kunnen schrijven is het belangrijk ernaast doorgaand te lezen. Niet alleen vanwege technieken: hoe doen die schrijvers dat? Hoe krijgen ze op een geloofwaardige manier een verhaal op papier? Hoe kun je van losse aantekeningen een groter geheel maken? Wil ik letterlijk of figuurlijk schrijven? Lezen heeft me vooral geleerd dat het juíst interessant kan zijn om dingen op te schrijven die ik niet snel hardop zeg of durf te zeggen in plaats van me zorgen te maken of andere mensen het zullen afwijzen of niet. Ik was verbijsterd toen ik voor het eerst een door mij nog onuitgesproken thema terugvond in een roman.

Een schrijfster die nergens voor terug leek te deinzen was Renate Dorrestein. Ze werd op Hemelvaartsdag 2018 begraven. Echt wat voor haar, schoot me te binnen; echt wat voor de vrouw die in haar laatste interview zei: “Natuurlijk lukt het mij om dood te gaan”. Wij lezers moeten het doen met haar erfenis. En wat voor een. Het ging Renate om de lezers en niet of ze wel literair genoeg was. Daar hou ik van. Van de meer dan dertig boeken van haar hand, las ik er zeker tien. Ik weet nog steeds waarover ze gingen, ik herinner me kleinere of grotere details. Een personage dat gek wordt van Vivaldi’s eeuwige ‘Vier Jaargetijden’ op de achtergrond bijvoorbeeld; een immens zware vrouw die haar wezen diep in zichzelf verborgen weet; een ouder die haar kinderen doodt. Renates eigen zoektocht langs artsen en alternatief genezers toen ze de ziekte ME kreeg; bijzondere namen van personages zoals Agrippina, Iola en Lupo, of Sterre toen die naam nog niet in de mode was.

Ik las in 1992 voor het eerst een boek van Renate Dorrestein en nu, ruim een kwart eeuw later, heb ik dus nog niet al haar titels gelezen maar “Weerwater” dat in 2015 uitkwam wel. In dit boek is de wereld vergaan op de stad Almere na. Renate speelt naast andere figuren zelf ook een rol in het geheel en met gemak laveert ze van het Maastrichtse Vrijthof richting haar onderkomen in Almere, de Fantasie. Vastberaden sleept ze me mee doorheen een stad met bewoners die proberen op te krabbelen na een Apocalyps. Renate doet dat zo overtuigend dat ze me nergens laat twijfelen of het wel klopt wat ze schrijft. Ik leef mee met de personages zonder dat ik direct een idee heb waar het allemaal naartoe leidt. Daarmee is het voor mij tot op het laatst een spannend boek met hier en daar verrassende wendingen.

Haar boeken liggen dichtbij Renate Dorrestein zelf. Ze sloot aan bij haar publiek. Daarover gaf ze in het hoofdstuk ‘Voor wie schrijf je?’ in “Het geheim van de schrijver. Voor iedereen die graag leest of schrijft” zelf aan: “Het is vooral de pro-Dorresteinlezer van wie ik het moet hebben, dat onbekende individu in wiens hoofd mijn verhaal zijn vervulling vindt, die vreemdeling ook, die mijn hypotheek betaalt. Zonder hem zouden, hoe je het ook wendt of keert, mijn werk en ik niet bestaan.” Renate was niet bang voor de dood. Ze geloofde in een leven in het hiernamaals. Iedereen van wie ze heeft gehouden en die ze al heel lang miste zou met uitgestrekte armen op haar te wachten. Ik hoop van harte dat haar door zelfdoding gestorven zusje waarover ze eveneens een boek schreef, vooraan stond.  Vanaf hier beneden roep ik haar nog na: “Vaarwel, Renate. Wat heb je ons veel gegeven … Je bent niet echt weg. Ik kan je nog steeds lezen, herlezen en nog eens herlezen …”.

Maassluis, 14 mei 2018

Sinds het overlijden van mijn zoontje ondersteunt Angela me op hele fijne wijze. Ze sluit goed aan bij wat ik voel en wie ik ben. Daarnaast stelt ze prikkelende vragen op een hele respectvolle manier die me aan het denken zetten en helpen bij het vinden van mijn weg om te leren omgaan met een verdriet dat nooit weggaat. Ik voel me altijd erg op mijn gemak en heb het gevoel dat ik helemaal mezelf mag zijn. Wat me ook erg helpt, is de uitleg over hoe rouw werkt, wat Angela op hele toegankelijke wijze uitlegt, waardoor ik beter begrijp welk proces ik momenteel doormaak. En dat is een heftig proces waarbij goede ondersteuning erg belangrijk is. Ik ben ontzettend kritisch naar hulpverleners toe maar ik kan oprecht zeggen dat ieder gesprek met Angela me een stapje verder helpt.

Angela is een rustig en betrokken persoon. Het is fijn dat zij als onafhankelijke intervisor leiding geeft aan onze intervisie.
Zij heeft een grote kennis van autisme wat helpt bij het bespreken van een casus.
Zij geeft op een rustige wijze richting aan de intervisie. Zij geeft ruimte indien nodig, en vat samen.
Zij houdt de rode draad in de gaten en komt terug op uitspraken.
In gesprek met elkaar kom je onder leiding van Angela tot nieuwe inzichten

26 april j.l. schreef ik naar aanleiding van het artikel Schrijf de kanker van je af in dagblad Trouw over Daniëlle Steekelenburg-Boeters en haar boek “Tumor! Ik wil leven”.
Ik ben sinds 1998 rouwbegeleider en ben nog nooit iemand tegengekomen die hetzelfde rouwt, al zijn er natuurlijk wel overeenkomstige thema’s waar mensen na een verlies mee te maken hebben. Bonnie Groenewout begon net als Daniëlle kort nadat zij de diagnose kanker kreeg met schrijven. Zij deed dit door het publiceren van een blog.
Nu had ik 26 april al het idee om ook aandacht te besteden aan deze manier van schrijven over kanker, maar dacht al snel: hoe ga ik dat doen? Net zoals m.i. niemand op dezelfde wijze rouwt, heeft iedereen een eigen schrijfstijl. Aan de stijl kun je veelal de schrijver herkennen. Zo hóór ik bij wijze van spreken Bonnie vertellen als ik haar blogs lees. Ik herken, ik kan het niet anders noemen, haar uitbundigheid daarbij. Omdat Bonnie en ik elkaar sinds 2010 regelmatig tegenkomen, onder andere om ervaringen met betrekking tot het schrijven van proza uit te wisselen, dacht ik: weet je wat, laten we gezellig samen aan de keukentafel gaan zitten. Laten we erover praten. Bonnie vond het prima. De eerlijkheid gebiedt me te bekennen dat ik een geheime agenda had. Misschien kon ik tegelijk iets van haar leren met betrekking tot bloggen. Ik begin er immers net mee, zij is inmiddels doorgewinterd.Achteraf gezien is het een beetje uit de hand gelopen theekransje geworden. We hebben lang, veel en serieus gepraat, associatief vooral; Bonnie met haar laptop binnen bereik. Zelf had ik een notitieboekje bij de hand. Ik heb hierin nu 10 pagina’s met treffende uitspraken van Bonnie. Ernaast lees ik haar tips terug, waarom ze is gaan schrijven, wat de blogs haar hebben gebracht, waarmee ze is begonnen. Maar ook de vraag: wanneer eindig je met bloggen als het over kanker gaat?
Bonnie had voordat ze wist dat ze kanker had al Krablog aangemaakt. Ze leeft behalve met kanker eveneens met eczeem en astma. Zij wilde gaan bloggen over eczeem, over haar ervaringen tijdens een heel zware behandeling. Alleen werd ze moe, zo moe dat ze niet kon geloven dat dit door die behandeling kwam. Na bloed- en vervolgonderzoeken bleek dat zij endeldarmkanker had.
“Weet je,” zegt Bonnie, “ik dacht bij mezelf: in het logo van de van de kankerstichting zit ook een krab. Ik had toch nog niets over eczeem geschreven, ik kon het ook over kanker hebben. Ik vond het een mooie manier om iedereen te laten weten hoe het met me ging. In het begin schreef ik heel veel, toen een tijdje niets, totdat mensen gingen vragen om meer. Al was het voor sommigen confronterend, tegelijkertijd zeggen mensen dat ze er ook iets aan hebben. Het zet hen aan het denken… Maar ook heel vaak hoor ik: ‘sorry hoor, maar ik moet zò ontzettend lachen om wat jij schrijft’”. Bonnie benadrukt dat ze kanker niet wil bagatalliseren maar dat ze behalve ingrijpende gebeurtenissen ook veel grappige en absurde situaties meemaakt.
“Je moet het natuurlijk wel willen zien of misschien wel kunnen zien. Ik ga niet heel de dag denken: dat heb ik weer: kanker. Of: Waarom?! Dat heb ik me trouwens geen moment afgevraagd. Wat schiet ik daarmee op? Ik wil duidelijk maken dat je op een andere manier naar kanker kunt kijken. En trouwens, er gebeurt toch nog méér in mijn leven?” Bonnie vertelt dat het schrijven haar veel heeft gebracht. Om te beginnen is zij als zij iets schrijft het ‘kwijt’. Ze laat evengoed iets na; als ze er ooit niet meer is zijn haar blogs er nog wel. Ze is anders naar mensen gaan kijken en zoekt voor het eerst in ons gesprek naar woorden, het lijkt of ze eigenschappen van mensen versterkt is gaan waarnemen, dingen die ze altijd al bij mensen zag lijken nu scherper zichtbaar. Ze vervolgt: “Bloggen opent ook deuren. Mensen durven makkelijker met me over kanker te praten als ze mijn blogs lezen. Het geeft inzichten, niet alleen aan hen, ik krijg ze evengoed. Ik leef nu, ervaar steeds hoe het nù is. En als ik na zo’n lange tijd teruglees wat ik heb geschreven zie ik hoe ik zelf ben veranderd, hoe ik heb gerouwd. Hoe ik bepaalde dingen niet meer kon doen, zoals dansen; maar toch weer heb opgepakt, alleen aangepast. Met het schrijven parkeer ik niet alleen, het geeft me ook energie. Nu inmiddels mijn CEA waarde voor de tweede keer normaal is, wat betekent dat er geen actieve kankercellen in mijn lijf waarneembaar zijn, vraag ik me af of ik niet over andere dingen zal gaan bloggen. Daar ben ik nog niet helemaal uit …”
Ik vraag naar do’s en don’ts. Naar tips. Ineens roept Bonnie “We lijken Aagje Deken en Betje Wolff wel! Dan ben jij Aagje want jouw naam begint ook met een A en ik ben Betje. Zij waren net als wij heel verschillend …” In mijn hoofd verschijnt een plaatje van een geducht schrijversteam uit de achttiende eeuw. Bonnie giert uit en roept: “Jij wilde tips?” Ze pakt haar laptop en googelt op mijn naam. Ik zie beeldscherm breed een reclame van een gratis gemaakt gordijn: Angela Groen. Te koop in een bekende winkel. “Waahoeee, van Deken naar Gordijn. Zorg maar dat die niet bovenaan staat.” Ik lach mee. Het is net of ik in een Krablog ben beland.

Maassluis, 1 mei 2018