Bewust proberen te mediteren is geen meditatie. Het moet gebeuren, het kan niet worden opgeroepen. Elke poging te mediteren is juist een ontkenning ervan. Wees je alleen maar bewust van wat je denkt en doet, en niets anders.
-Jiddu Krishnamurti-

We gaan jaarlijks in juni en september op vakantie waarbij ik in juni kies waarheen we gaan. Geliefde J. doet dat in september. Dit jaar is een compromis omdat ik van te voren wist dat kamperen voor J. uitgesloten is. Zelf stond ik als meisje regelmatig in onze gangkast de geur van de tent op te snuiven, zo graag wilde ik ermee weg, terug naar warme landen waar ik heel de dag buiten kon zijn. J. kon zich daar niets bij voorstellen totdat hij na de zoveelste woordenwisseling hierover één nacht in een tent van zijn broer sliep. Onze drie kinderen waren nog klein, het was in het voorseizoen op een verder leeg veld in de Biesbosch vlakbij het sanitaire gebouw. Het begon te plenzen. Het bleef plenzen.
’s Avonds naderden langzaam twee koplampen, mijn zwager bracht pils en saté omdat het weer zo tegen zat. J. nam een slok en keek quasi peinzend het donkere watergordijn in.
“Wat denk je, An? Zijn materie en geest gescheiden?” Dat we de slappe lach kregen mocht niet baten. Voortaan was een luxe stacaravan het hoogst haalbare op kampeergebied. We hebben het welgeteld drie keer gedaan.

Vele vakantiehuisjes, appartementen en hotels verder, heb ik vanaf vorig jaar juni mijn been stijf gehouden. We zaten in een familiehotel in het Geuldal in Epen ofwel Ieëpen. Ik tuurde met de verrekijker naar een camping aan de andere kant van het dal.
“Weet je nog dat we daar een stacaravan huurden? In 1994? Weet je nog dat een boer in verband met de wereldkampioenschappen voetbal een televisie op zijn erf had gezet?”
J. knikte. “Ja, de meisjes en ik speelden keeper Ed de Goeij na op het sportveld, Ed-de-Goeijen noemden ze dat. Die kleine rende kris kras over het veld met zijn korte beentjes. Hij vond alles mooi, vooral de zwaluwen.”
In mijn hoofd verschijnt een beeld uit een fotoalbum: J. en onze jongste kijken omhoog naar een nest onder een dakgoot. De blonde haren van mijn zoon nog nat van het peuterzwembad, het badlaken om zijn schouders hangt half op de grond. J.’s hand rust op zijn rug.
“Verrassing!”zei ik. “De wereldkampioenschappen 2018 kijk je ook weer in een caravan… Dáar!”

Eerlijk is eerlijk. Hebben we echt met zijn vijven in dit soort caravans geslapen? Het zitgedeelte met een televisie uit de vorige eeuw is voor J. en mezelf groot genoeg; in de ouderslaapkamer staat een bed van één meter veertig tegen een muur, ik heb krap dertig centimeter om er langs te lopen. Voor gezinnen met kinderen is er een hok van ongeveer anderhalve meter breed met een ministapelbed en een mini eenpersoonsbed. De badkamer inclusief wc is iets groter dan mijn toilet thuis. Waar liet ik onze spullen? Ik gebruik de kinderkamer als inloopkast.
“Zullen we een rondje lopen?” vraagt J.
“O.k. Neem jij je telefoon en portemonnee mee voor een cappuccino ofzo , dan laat ik ze hier.”
De camping blijkt redelijk vol voor de tijd van het jaar, er zijn behalve luxe huurcaravans ook toercaravans, campers en wat losse tenten. De winkel is geopend van half negen tot half tien; de kantine, taverne en receptie blijken na vijf uur dicht en nu gesloten. Het zwembad is hetzelfde als vierentwintig jaar geleden, net als het ‘Ed de Goeij veld’. Ook de golfclub op de heuvel en verderop het kerkje van Sippenaeken in België zijn identiek. J. loopt door en voelt of de omheining bij de koeien schrikdraad is. Ik ga in het droge gras liggen, het veert. Ik strijk mijn handen erlangs, de sprieten zijn zacht, niet scherp. Hoog boven me vliegt een vliegtuig aan de blauwe hemel, daaronder suizen twee buizerds en een paar kraaien krijsend om elkaar heen. Als ik mijn ogen dichtdoe hoor ik een heel orkest; ik weet niet of de andere vogels zwaluwen, sijsjes, kwikstaartjes of merels zijn. Weer terug bij de caravan vouw ik de fietskaart op de terrastafel uit. J. zet een kop koffie neer. “Maar goed dat ik geld bij me had, hè?”

De bestudeerde fietskaart laat geen ruimte voor twijfel over de Epenerbaan bovenaan de smalle weg naar de camping, hij loopt van Epen naar Vaals dwars door de Vijlenerbossen en is een onderdeel van de Amstel Gold Race. Voor wielerliefhebbers staat de beklimming vanuit Epen bij Camerig bekend als de zwaarste klim van Nederland. Wat mij betreft is het vanuit Vaals hetzelfde laken een pak met een nijdig stuk helling van twaalf procent.
Voor deze vakantie hebben we een paar dingen afgesproken: onze sportfietsen met drieëntwintig versnellingen gaan na een servicebeurt mee en als ik J. niet bijhoud is afstappen een optie. We hebben hier één keer eerder met een huurfiets met zeven versnellingen gefietst. J. presteerde het in spijkerbroek en mocassins net voorbij Camerig een verbijsterde wielrenner in te halen. Ik duwde lopend en sacherijnig mijn fiets omhoog. Toch wil ik het nu persé nog eens proberen, waarom weet ik niet.
Het moet toch kunnen? Fietsen we op de Veluwe niet regelmatig met eenzelfde snelheid tussen de veertig en vijftig kilometer afstand, vals plat of niet?
“Zullen we maar beginnen met heen en weer naar Vaals?” vraagt J. “Om er in te komen?”

Het dal is heel groen, nevelig maar niet koud, eerder vochtig warm. Nog geen kilometer van de camping piept mijn adem al, mijn hart bonkt richting mijn keel. Ik stap af en loop met flinke pas omhoog, ik blaas zo goed mogelijk helemaal uit. Waar ben ik aan begonnen? Op de Epenerbaan herhaalt het wisselend fietsen en lopen zich zeker vijf keer. Soms zie ik J. een tijdje niet, soms volg ik hem dichterbij in mijn eigen tempo totdat ik roep dat ik bij een volgende bocht weer zal stoppen en hij er “Nee, bij de tweede!” van maakt. Hij is personal trainer Radmillo niet! De man die op televisie mensen opjaagt totdat ze huilend neervallen. Ik stap prompt af. Mijn ademhaling klinkt luider dan de klimmende mannen op hun racefiets. Dan, ineens, verschijnt het verkeersbord met een helling van twaalf procent en vlieg ik met veertig kilometer naar beneden J. voorbij. We zijn sneller dan verwacht in Vaals waar ik aan een buschauffeur vraag hoever het naar Aken is.

Ik ben nooit zo weg van de pracht en praal in kathedralen; maar in de dom van Aken, belangrijk voor pelgrims op weg naar Santiago de Compostella, vallen direct de met mozaïek verfraaide gewelven me op. Miljoenen steentjes moeten het zijn. Vooral de patronen in afwisselend lapis lazuli en goud zou ik langer willen bekijken in een stille kerk wat op dit moment uitgesloten is. Zowel binnen als buiten de dom zijn enorm veel mensen op de been. We wandelen naar buiten en eten op een bankje in de zon een wrap met falafel, humus, mangochutney, augurk, tomaten, sla en rode kool. Waarom is dit thuis onvindbaar zonder vergrootglas? Ik heb hier trouwens geen vergrootglas nodig voor de bedelaars, in een uur tijd tel ik zeker tien mannen en vrouwen die om geld vragen. Mensen op dekens omringd door tassen, ze houden een kartonnen noodkreet omhoog; een op het oog Slavische vrouw, ineengedoken op straat, voor haar knieën staat een bekertje. Een man spreekt ons aan met de mededeling dat hij geen huis heeft. Misschien is dat echt waar, misschien belazert hij de boel en koopt hij drugs als hij wat krijgt. Waarom hij wel en de rest niet? Midden in zijn verhaal zeg ik harder dan ik wil “Nein.” en trek ik J. mee. De man grinnikt. Wat valt er te lachen?

De terugweg fietsen we beduidend sneller en constant, zelfs door de steile straten van Aken; waar nodig schakel ik soepel naar andere versnellingen tot aan de twaalf procent helling op de Epenerbaan al hoef ik hem niet helemáál te lopen. Erna volgen vooral dalingen. De wind verkoelt mijn lijf. Een Vlaamse gaai roept in de takken boven me, tussen varens schiet Ridderspoor omhoog.
Bij het trapje van de caravan schop ik mijn schoenen uit, ik spuit mijn bidon leeg over mijn hoofd en gooi boven het keukenblok nog meer water in mijn gezicht. Ik stop abrupt. Vanaf zijn vaste standplaats roept de overbuurman naar J.
“Dat was zeker eens maar nooit meer?”
“Hoezo?”
“Nou, je ziet ze wel eens met van die stadsfietsen komen, dan gaan ze één keer fietsen en verder staan ze ongebruikt achter de caravan.”
O, ja?? Moet jij eens opletten …
“Nee hoor,” zegt J. “we kennen de omgeving. We weten wat komt.”

Vijlen, 8 juni 2018 – Maassluis, 24 juni 2018

De mens – bedroefde blinde
Die soms plotseling zien kan maar niet
Weet of dat wat hij ziet
Bestaat en tastbaar is te vinden –

De mens – wantrouwige dove
Die plotseling horen kan
Maar die niet weet of hij dan
Dat wat hij hoort moet geloven –

Probeert te leven
Betwijfelt iets
Maar beseft niet wat –

Is ongelukkig maar soms
even –
vergeet hij dat

-Ellen Warmond-

Vrijwel ieder mens stelt zichzelf op meerdere momenten in zijn leven vragen: waar kom ik vandaan? Waarheen ga ik? Wie ben ik? Wat is de zin van dit bestaan? Wekelijks spreek ik mensen bij wie die existentiële vragen nadrukkelijk aan de orde zijn. Hoe mensen in het leven staan hangt samen met hun geschiedenis en allerlei factoren. Was de omgeving waar iemand opgroeide liefdevol of allesbehalve dat? Waren er trauma’s? Wat is iemands culturele achtergrond? Had hij of zij een bijna dood ervaring? Zijn of waren er religieuze overtuigingen? Noemt iemand zich atheïst? Wat als een mens zijn geloof in God verliest?
Dit laatste is voor velen een verlies. Wellicht kan het boek van Klaas Hendrikse “Geloven in een God die niet bestaat. Manifest van een atheïstische dominee” dan helpend zijn.

Ik ben wat huiverig om dit boek te noemen ook al schreef ik 14 mei nog dat lezen me vooral geleerd heeft te schrijven zonder me op voorhand af te vragen of mensen het zullen afwijzen of niet. Afwijzing kan juist bij levensvragen een rol spelen. Wie kent niet de uitspraak dat je in gezelschap onderwerpen als geloof, politiek en geld beter achterwege kunt laten om verhitte discussies en ruzies te voorkomen?
Daarbij heb ik op deze plek slechts beperkte ruimte om het boek van Hendrikse aan te bevelen waar de titel vanzelfsprekend raakt aan bibliotheken vol studies en ontelbare ervaringen van ontelbare mensen.

Er is in de titel “Geloven in een God die niet bestaat. Manifest van een atheïstische dominee” direct een spanning tussen en om de woorden heen voelbaar. In mijn eigen beroep waar ik soms met beelden moet werken om iets uit te leggen zeg ik weleens: als ik het niet kan tekenen wordt het lastig. God is zo’n woord. Net als geloven, liefde en vertrouwen. Angst en verdriet. Ik kan gebruik maken van symbolen zoals een ‘hartje’ bij ‘liefde’ maar de ander moet wel de link kunnen maken tussen het verwijzende symbool en het bedoelde gevoel. Het gevoel zelf kan ik dus niet tekenen waarbij het evengoed een vraag is of het gevoel dat ik ervaar als liefde ook door de ander zo wordt gevoeld of ervaren. Toch is het meestal zo dat men niet snel zegt dat liefde niet bestaat omdat we het niet kunnen tekenen maar wel kunnen ervaren. Net zoals het woord vertrouwen. Ik versta vrij snel in het boek van Hendrikse dat het die kant op zou kunnen gaan. Hierop volgend de vraag wat zou dat dan betekenen in het dagelijks leven?

Wat heel goed op de loer zou kunnen liggen is dat Hendrikse vervalt in woordspelletjes. Maar we kunnen nu eenmaal niet zonder woorden. Velen van ons hebben behalve woorden ook beelden nodig om zich een voorstelling te kunnen maken. Net zoals bij de dominee thuis, kreeg ik in mijn eigen ouderlijk huis evenmin een kerkgang of een andere godsdienst mee. Ik ging naar de openbare school waar ik wel één keer in de week godsdienstles kreeg. Ouders konden hiertegen bezwaar maken, dan mocht een kind in een andere ruimte iets anders gaan doen. Mijn ouders maakten geen bezwaar. De godsdienstleraar vertelde over Abraham, Jakob en Mozes en over Jezus, hoe hij gekruisigd was en weer opgestaan. Hij zei ook dat we niet bang hoefde te zijn voor God en de spannende verhalen uit de bijbel. Hij trok de achterkant van zijn verkreukelde colbert om zijn hoofd en riep: “Je hoeft niet als zoveel mensen te denken: o, help, help, daar heb je God! God zal je geen kwaad doen.” Wie was God?
In diezelfde tijd, ik was een jaar of acht, negen, vertelde mijn juf over Indianen. Indianen hadden totempalen geloofden in een Grote Geest, zij aanbaden ook de zon, de maan en de aarde. Ze dansten om de totempaal. “Wíj weten nu wel beter”, zei de juf. Ik zag en hoorde haar lach en dacht: wie zegt dat wij gelijk hebben? Ik durfde het niet te vragen maar volgens mij werd toen al bij mij een zaadje geplant. Hoezo zijn veel gelovigen of ongelovigen overtuigd van hun eigen gelijk; hoezo willen sommigen van hen dat aan een ander opleggen? Of vinden weer anderen dat zij het recht hebben? Zet het journaal aan en we zien de uitwassen wereldwijd.

Juist het vragen mogen, kunnen en blijven stellen, vind ik belangrijk. Woorden luisteren nauw. Het is boeiend om te lezen hoe dominee Hendrikse als kind van een atheïstische dierenarts opgroeide midden in een christelijke gemeenschap, hoe hij atheïst bleef en toch dominee werd. Omdat hij in Nederland is geboren en niet in Thailand kwam het niet in hem op om bijvoorbeeld boeddhistisch monnik te worden. Hendrikse slaagt wat mij betreft in zijn boek er heel goed in uit te leggen hoe hij zijn prikkelende uitspraak in de titel bedoelt, tot waar hij met een ander door een deur kan gaan, wanneer tot net ervoor en waar wegen scheiden. Hij doet dit met respect en humor. Ik hoor althans humor als hij stelt dat God en wetenschap elkaar niet bijten: ze wonen in hetzelfde huis maar hebben wel een eigen kamer.

We hebben in ieder geval dit leven, ieder heeft zijn of haar weg te gaan, hoe dan ook. Dat lukt niet zonder anderen. Laten we met elkaar blijven praten, over hoe we kleinere en grotere gebeurtenissen in ons leven ervaren. Hoe we daarmee omgaan. In deze tijd waar kerkgang terugloopt is de belangstelling voor religie groter dan ooit. Ons woord ‘religie’ is afgeleid van het Latijnse religio. Dat betekent ‘verbinding’ en zegt dat de mate waarin je je verbindt met je omgeving, bepaalt in hoeverre je levenshouding religieus is. In dat kader denk ik aan de uitspraak van een jongeman, hij groeide op als atheïst en beschouwt zichzelf nog steeds zo. Hij liet me een gedicht lezen waarin het woord God veelvuldig werd genoemd. “Dit vind ik zo’n mooi gedicht,” zei hij. “Je moet alleen God even wegdenken…”. Het was de opmaat naar positieve gesprekken over zingeving. Dat vonden we allebei. Waarbij het er niet om ging of hij, of ik, of wie dan ook gelijk heeft.

Maassluis, 5 juni 2018