Vorig jaar was het de warmste juni in ruim een eeuw, terwijl we plannen maakten wat we zouden gaan doen, kroop het kwik in het Geuldal vijf dagen achtereen tot bijna vijfendertig graden. Het familiehotel had geen zwembad en verkoeling onder de bomen van het langgerekte Vijlenerbos
bleek met gutsende lijven en zwermen vliegen geen pretje. Behalve een rondvaart op de Maas beperkten we ons tot terrasjes in Valkenburg en Maastricht met aansluitend het terras van het hotel waar we begonnen met water of alcoholvrij bier voordat we rosé bestelden.
Dat terras van het hotel was te verkiezen boven ons balkon met uitzicht op het dal, al was het uitzicht prachtig. De gasten uit de kamers naast ons zaten op nog geen meter afstand. Alleen de balkonreling diende als afscheiding, ik kon bijna de thermoskan van hun geblokte kleed over het tafeltje pakken. De thermoskan stond naast een vaas met bloemen. Toen ik naar een pluim rook vlakbij de brug van Moresnet in de verte wees en zei: “Hé J., wat brandt daar nou?” pakte de buurman zijn verrekijker.
Ik draaide mijn rotanstoel met mijn rug naar de buren. J. boog zich naar me toe. “Tamelijk sociaal tot de voordeur, An …” fluisterde hij.
Zelf niet meer geïnteresseerd in de rookpluim tuurde ik door mijn eigen verrekijker naar de camping waar we nu zitten. Hier is wel een zwembad. Juni 2018 is de derde zeer warme maand op een rij, met maar een paar kleine verstoringen.

Dit jaar is het beter te doen in het bos, we lopen eerst een bekende route met een steil startpunt waarbij ik altijd direct mijn been- en bilspieren voel. Toch lukt het me veel beter dan bij het klimmen per fiets mijn adem goed te gebruiken, in-in-uit-uit op de maat van de stappen. Onder de wisselende naald- en loofbomen groeien de adelaarsvarens boven mij en lage geraniumpjes uit. Een groot veld waar volgens mij ieder jaar Ridderspoor groeide blijkt ineens overwoekerd met brandnetels en nog meer bramen. Stond die bloeiende vlier er vorig jaar ook al? Je kunt van de bessen vlierbessensiroop maken als je tenminste het onderscheid tussen de Sambuscus nigra en de Sambucus racemosa weet. De laatste rodere soort groeit hier ook en is heel giftig. Allemaal geleerd van onze schoonzoon, een landschapsbeheerder. Hij zal vlakbij samen met onze dochter en de kleinkinderen in juli op een natuurcamping een tent neerzetten. We lopen het bos uit, het dal in om daar een kijkje te nemen en zetten erna via smalle weggetjes de pas erin naar het kerkje van Sippenaeken. Het ligt boven het Geuldal in België en is open. Binnen ruikt het naar oud hout, op een prikbord hangen vele bidprentjes, de overledenen zijn vast begraven op het kerkhofje naast de kerk.
Vlak achter het hek van het kerkhof is een graf scheef gezakt, een man en vrouw rusten er sinds 1965 nadat hij drie dagen na haar is overleden.
We maken een foto om er later achter te komen dat we dat al eerder deden. In onze fotoboeken is eveneens te zien hoe een kwart eeuw geleden de kanten langs de snelstromende Geul op sommige stukken nog vrijwel onbegroeid was, hoe je vanaf de kant het water in kon stappen om steentjes op te rapen. De kinderen gooiden ze vanaf een bruggetje in het water. We maakten foto’s hoe we picknickten, met opkomende maisvelden, blauwe hemels en grote weiden op de achtergrond. Op één foto renden we met onze armen weid uit elkaar een helling af, zoals de familie von Trapp in de film The Sound of Music.
Ik denk niet dat mijn schoonzoon hetzelfde zal doen. Wel wandelen onze kleinkinderen hier binnenkort ook.

Uitgerekend de buurman uit de caravan tegenover ons, die van “Dat was zeker eens maar nooit meer?” tipte ons drie dagen voor vertrek over de Vennbahn Radweg, een fietsroute van Aken naar Luxemburg, totaal honderdvijfentwintig kilometer. Ik mocht dan ‘O jaaa, moet jij eens opletten’ denken bij zijn opmerking, ik had andere afstanden in gedachten.
Op aanwijzingen van de campingreceptioniste zoeken we in het centrum van Aken naar de plaatselijke toeristeninformatie. Ze heeft weliswaar de van dag tot dag route voor ons uitgeprint, het is onduidelijk waar precies in Aken de route begint of beter gezegd waar in Aken het startpunt station Aachen-Rothe Erde is. Wanneer op een bepaalde plek de fietspaden ophouden en we niet weten of we er mogen fietsen helpt ongevraagd een Duitser ons verder omdat hij ons zo ziet kijken. En eindelijk bij de toeristeninformatie worden we even vriendelijk geholpen. Hoewel volgens ons de fietskaart negen euro kost, krijgen we hem gratis mee.
Wat mij persoonlijk bijzonder aanspreekt is dat het fietspad is aangelegd op een oud spoorwegtracé en dat de route eenvoudig wordt genoemd, geleidelijk verlopend op het grondgebied van Duitsland, België en Luxemburg. Deze vakantie proberen we alleen de helft van de eerste etappe uit.
Al snel blijkt het verschil tussen eenvoudig en de nijdige hellingen op de Epenerbaan, bij nader inzien is het eerste deel van dit parcours ronduit saai. De eerste tien kilometer rijden we door iets dat meer op een park lijkt dan op een bos, onderbroken door woonwijken en de stank van een composteer- en vergistingsinstallatie. De enkele klaproos en in het wild groeiende puntwederik veranderen hier niets aan.
Het is redelijk rustig, we maken flink tempo omdat het pad verder verkeersvrij is. Er is bewegwijzering naar beide kanten, alleen missen we de beloofde infopanelen met interessante achtergrondinformatie. Waarschijnlijk zijn ze verderop te vinden, langs de Hoge Venen, de heide en bossen, het stuk van de Ourvallei naar Troisvièrges in Luxemburg. We zien wel wat oude stations en treinen.
Na een broodje vinden we het welletjes. De terugweg gaat veel sneller, hebben we heen op een ellenlang vals plat gereden? Dan ineens hoor ik een doffe plof. Ik heb toch niet weer een lekke band? Terwijl J. in eerste instantie niets in de gaten heeft en doorfietst, zie ik zo’n vijfentwintig meter achter me mijn rugzak op de weg liggen. Hij is onder de snelbinders vandaan geglipt. Een wandelende Duitse man en vrouw roepen. Als de vrouw me tegemoet loopt en een gezellig gesprek begint dat ik moeilijk versta, weet ik niet anders te bedenken dan “Danke, danke”.
“Ze is zeker aardig vanwege de oorlog.” zegt J. even later.
Ik denk aan de man in Aken die ons ongevraagd hielp. Aan de medewerkster van de toeristeninformatie. Het moet een keer afgelopen zijn maar sommige oude grappen zijn hardnekkig: “Ze trok niet eens aan mijn stuur. Ze probeerde niet eens zoals bij grootmoeder, m’n fiets te vorderen.”

Terug bij de caravan begint het zachtjes te regenen, tegelijkertijd schijnt de zon. Ik schuif alle gordijnen open, het is heel licht binnen. Op het dak tikken de druppels. De toppen van de bomen aan de overkant kleuren bruin oranje door de zon, daarboven verschijnt een regenboog.
J. neemt een slok van zijn bier. “Net de luifel van een tent, zo. Volgend jaar weer?”

 

Vaals, 16 juni 2018 – Maassluis, 16 juli 2018.

Onze fietsen staan achter de caravan. Mijn achterband is niet een beetje lek, hij is hartstikke lek. Direct onder het ventiel zit een scheur en de rijwielhandel in Vaals is pas over drie dagen open.
“Zullen we naar het American Cemetery in Margraten gaan?” vraagt J.
Ik aarzel. Het is bijna een kwart eeuw geleden dat we de kinderen meenamen naar de Amerikaanse militaire begraafplaats en het monument ter nagedachtenis aan soldaten van de Verenigde Staten die in de Tweede Wereldoorlog stierven, onder andere tijdens de strijd in Zuid-Limburg en het Ardennenoffensief.
Ik vind niet dat ‘het gezanik over die oorlog nu maar eens afgelopen moet zijn’ zoals vader rond vier mei meestal riep. Was het te pijnlijk? Hij groeide op in Crooswijk, een volksbuurt naast het platgebombardeerde centrum van Rotterdam. Een deel van de slachtoffers werd in een massagraf begraven op begraafplaats Crooswijk. En in de hongerwinter zocht hij met zijn zusje naar hout of kolen langs de spoorlijn, hij was zes jaar.
Moeders kinderjaren tijdens de oorlog zijn gehuld in half uitgesproken geheimen, waarbij de terugkeer van mijn gevluchte en ondergedoken grootvader aan het eind van de oorlog en de directe verbanning van mijn grootmoeder uit het gezin, centraal staan. Hierover gaan meerdere verhalen de ronde, nog steeds komen mij via via details ter ore. Wat is waar? In ieder geval hebben de vele versies één ding gemeen: ze hebben moeder getekend.
Veel ouderen kunnen zich helemaal niet vinden in vaders uitroep, andere ouderen misschien wel. Ook jongere generaties doen soms opmerkelijke uitspraken. Zo las ik ooit een boekbespreking van een dertiger over het boek van een even oude Joodse schrijfster. Waarom, vroeg de dertiger zich af, moeten Joden het altijd over Jodendom en de Holocaust hebben? Hij had dat nooit begrepen, het riep vooral irritatie op.
Lees de boeken van haar vader of grootvader eens, dacht ik. Haar vader was bekend journalist, interviewer, televisiepresentator en toneelschrijver; hij groeide op in een door oorlogservaringen getraumatiseerd en geneurotiseerd gezin. Op zijn achttiende werd hij ‘uit huis gezet’ zoals zijn ouders eveneens het contact verbraken met hun dochter en jongste zoon.
De oorlog had en heeft op miljoenen mensen impact, op mensen uit àlle betrokken landen; vijandig of niet.
“Hoe laat wil je gaan?” zeg ik tegen J.

We rijden zonder woorden door het Zuid Limburgse landschap, nergens kom ik zo tot rust als hier. Ik hoef alleen maar te kijken naar het zacht glooiende landschap. Tot ik twee jaar terug het boek ‘Het Geluk van Limburg’ van Marcia Luyten las wist ik weinig van wat jaren zowel boven als onder de grond in de mijnen gebeurde. Als de Limburgse Luyten het niet eens wist, hoe had ik dan van de vele onvoorstelbare en ronduit schandalige gebeurtenissen kunnen weten? Heel veel is doelbewust weggeveegd en weggestopt, decennia lang.
Wat ervan te denken dat daden van verzet in Limburg tijdens de Tweede Wereldoorlog nergens terug te vinden zijn in de werken van Lou de Jong? Wat ervan te denken dat naast de mijnwerkers landverraders en misdadigers te werk werden gesteld. Het misprijzen van de buitenwacht over de mijnwerkers. Ik las ontroerd hoe Limburgia in 1950 landskampioen werd door te winnen van Ajax terwijl ik niet eens van voetbal houd.
In het Crooswijk waar mijn vader opgroeide is vandaag de dag op een huizenblok een uitspraak geschilderd: Je krijgt nooit een betere toekomst als je aan gisteren blijft denken.
Veel deelnemers van mindfulness trainingen die ik geef piekeren over verleden en toekomst. We oefenen op een bepaalde manier aandachtig te zijn, gericht op het hier en nu. Dan rijst wel eens de vraag of denken aan vroeger of later ‘dan niet meer mag’. Natuurlijk wel, onze gedachten komen en gaan. Zoals filosoof Kierkegaard daarbij al aangaf: het leven wordt achterwaarts begrepen en voorwaarts geleefd. We kunnen leren van ons verleden en in het ogenblik komen verleden en toekomst bij elkaar.
Vanaf de parkeerplaats lopen we langs strakke gazons, geen sprietje staat verkeerd. Tegenover het bezoekerscentrum zijn grote wanden met drie kaarten, ze tonen onder andere de luchtlandigsoperatie bij Market Garden, het oversteken van de Roer en militaire acties vanaf de landingen in Normandie tot het einde van de oorlog in Europa. We lopen over het Ereplein naar de spiegelvijver, in de muren om het plein heen zijn de namen van 1722 vermisten gebeiteld. Achter het standbeeld van de rouwende moeder staat een toren met kapel.
Net als jaren geleden toen we hier met de kinderen waren overvalt het beeld van de 8301 graven me. Ze hebben witte marmeren kruisen en davidsterren en staan in parallel lopende bogen die zich uitstrekken langs brede gazons.
Is het de hoeveelheid graven die de brok in mijn keel veroorzaken? Zoveel mensen gaven hun leven om ons te bevrijden. Zoals de officieren en soldaten hier liggen, door elkaar; vrijwel alle kruisen en davidsterren zijn hetzelfde. Iedereen is in de dood gelijk. We wandelen over de promenade, lezen onderweg namen. Zonen, broers, vaders of dochters en zussen. Aan het eind van de promenade gaan we op een trap zitten. Wat zou er gebeurd zijn als de geallieerden niet waren gekomen?
Ineens kan ik de brok in mijn keel en tranen niet mee bedwingen.
“Twijfelde je daarom?” vraagt J. als hij ziet dat ik huil.
Ik haal mijn schouders op. Het is te groot. Niet te bevatten.

 

Vijlen 10 juni 2018 – Maassluis 3 juli 2018