Podium biedt schrijvers de ruimte hun veerkrachtige verhaal te publiceren. Anka (pseudoniem, echte naam bekend bij Angela Groen) bijt de spits af:

 

MIJN MOEDER EN IK

Mijn moeder was een intelligente vrouw. Ze stimuleerde ons om veel te lezen (lid van de bibliotheek) en om te studeren (minstens mulo of de verpleging, want dat laatste was werken en leren).
Ze had vaak migraine en lag dan op bed. Misschien waren dat voorbodes van aanvallen van manisch-depressiviteit?
Als de vakantieweken (2 speciale in Vlaardingen) aanbraken, ging mijn moeder met ons naar al die activiteiten zoals de kerktoren beklimmen, het Visserijmuseum bezoeken.
Toen ik een keer uit school kwam, kwam er een zuster van het wit-gele kruis de trap af. Dan wist ik het wel: mijn moeder was weer opgenomen. Ik denk dat ze wel 20 keer is opgenomen geweest: op de PAAZ van verschillende ziekenhuizen, toentertijd in Dijkzigt, Joris en Delta.
Ze kon heel goed naaien, was coupeuse. Zolang wij het wilden, heeft ze voor ons leuke kleren gemaakt, en dat deed ze ook voor zichzelf.
Ze was vaak boos op ons; als we niet deden wat ze zei (onze kamer opruimen) of het niet goed genoeg deden (schoenen poetsen:  “Wonen er aan de achterkant geen mensen?”)
Ons huis hield ze schoon en opgeruimd. Ik herinner me dat ze op vrijdag aan het werk was in de kamer met spons en zeem, de radio aan (Arbeidsvitaminen) meezong of meefloot; de kanarie erboven uit. (“Meisjes die fluiten krijgen mannen met duiten”.)
Als ze manisch was, gooide ze haar pillen in de wc.: “Die heb ik niet meer nodig!” Als ze daarna psychotisch werd, verhing ze de schilderijen, plaste in de asbak enz.
Mijn vader was tuinman in het Sportpark van de Shell, verdiende niet veel. Mijn moeder was in staat om ons gezin zonder schulden draaiende te houden. Ze kocht stof op de markt en maakte onze en haar kleding. Lette bij het boodschappen doen scherp op  reclames en aanbiedingen. Daar kwam bij dat mijn vader een soort volkstuin had, waarvan hij groente, fruit en bloemen mee naar huis nam.
Soms gaf mijn moeder zelf aan dat ze opgenomen wilde worden. Maar soms was ze zo psychotisch dat er dwang aan te pas kwam.  Eens heeft ze bij een opname in een ziekenhuis een heel rek piepers van de muur afgeslagen.
Hoewel ze maar 8 klassen lagere school had met de naaischool er achteraan, wist ze veel. Ze hield van discussiëren over politiek en alles wat er in de wereld gebeurde. Later heeft ze met veel plezier de VOS-cursus enzovoort gedaan.
Eens zei ze tegen me met opgeheven vinger:
“Pas jij maar op! Mijn moeder was psychiatrisch, ik ben manisch-depressief en jij kan dat ook worden!”
Sinterklaasfeesten met strooiende Zwarte-Piet-buurmannen. Later met lootjes trekken, minimaal een gedicht maken, waren erg gezellig. Als we jarig waren en onze vriendinnen kwamen, organiseerde mijn moeder koek-en snoephappen en zo, deed een quiz die wij van tevoren met haar gemaakt hadden.
Later hoorde ik van een buurmeisje dat mijn moeder tegen haar moeder vertelde, dat ze het leven soms zo zwaar vond, dat ze de singel in wilde lopen.

Het was vaak reuzegezellig bij ons thuis met familie en vrienden. Koffie en mee-eten, weliswaar een eenvoudige pot. En als mijn vader op zijn mondorgel of op zijn trekharmonica speelde was het helemaal feest! Ook onze vriendinnen waren welkom. Eén vriendin die uit een gezin kwam waarvan de vader alcoholist was en het er vaak een chaos was, kwam graag bij ons, omdat het huishouden rustig en goed georganiseerd was. Ik was vaak opgelucht als mijn moeder opgenomen was. Vaak mochten we haar de eerste veertien dagen niet bezoeken. Ik vond die bezoeken aan zo’n psychiatrisch huis verschrikkelijk. Met al die mensen die als zombies rondliepen of in een stoel hingen en een moeder waarbij het altijd weer de vraag was hoe het met haar ging. Mijn moeder was ruimdenkend. Ik vroeg haar eens over de onfeilbaarheid van de paus. Nou daar geloofde ze (toch als goed katholiek) niet zo in: de paus is een mens dus hij zal ongetwijfeld fouten maken.  Eens kwam ze weer thuis na een lang verblijf in een ziekenhuis. Wij hadden het hele huisschoongemaakt waar ik me zeer verantwoordelijk voor had gevoeld. Ze keek de kamer rond, keek naar boven en zei: “Jullie zijn de lamp vergeten!” Mijn moeder werd als jong meisje zeer kort gehouden thuis. Dat was voor haar een reden om ons vrij te laten als we een vriendje hadden, of als we uitgingen (midden in de nacht thuiskomen was geen probleem). Als ze zich weer goed voelde, nam mijn moeder de leiding weer over. Ze was heel dominant en de baas in huis. Haar devies was: “Je hebt niks in te brengen als lege briefjes.” Eens kreeg ik onterecht op mijn duvel. Ik verdween verontwaardigd naar boven en ging aan mijn huiswerk. Na verloop van tijd kwam ze naar me toe en maakte heel liefdevol haar excuses.

Ik ben heel haar leven met mijn moeder bezig geweest. Ik heb het geluk gehad dat er altijd mensen in mijn omgeving waren die me in mijn crisissen opvingen. Later ben ik maatschappelijk werk gaan studeren, veel gaan schrijven en in therapie gegaan.Het zware van haar heb ik wel verwerkt en ik heb haar ook kunnen vergeven. Haar lichte en prettige kant kende ik wel maar door het zó op te schrijven is mijn beeld over haar evenwichtiger geworden.Ik had een moeder die heel erg haar best heeft gedaan om ons een goede opvoeding te geven, waar ze ook in geslaagd is. Wij (3 meisjes en 1 jongen) zijn goed terechtgekomen en zover ik het kan beoordelen zijn ze evenwichtig en gelukkig.Ze heeft erg geleden onder haar manisch-depressiviteit, voor zichzelf maar ook voor ons. Hoewel dat niet altijd merkbaar was, weet ik zeker dat ze van ons gehouden heeft.

 

Vlaardingen, 28 mei 2018                                                           Anka

 

 

 

 

Eindelijk zit ik weer achter mijn laptop om een blog te schrijven. Nou ja, enerzijds eindelijk; anderzijds geschreven op een moment ‘alleen als ik er zin in heb’. Zo kom ik in ieder geval iets van de voornemens in mijn laatste vakantie na.
Het is zonder meer luxe dat mijn geliefde J. en ik ieder jaar in juni en september langere tijd vrij zijn. In september gaan we vrijwel altijd zo’n drie weken naar een heerlijk huis in Zuid-Spanje. Ik vond het bijzonder leuk om bij terugkomst in Nederland te zeggen dat we niks hebben gedaan.
“Zijn jullie dan niet naar het Alahambra geweest? Of naar Ronda?”
Ja, ja, we weten het, er is veel moois in Andalusië. We gaan heus wel eens naar een bezienswaardigheid. Wel eens, want wat ons betreft komen we in het zuiden vooral los van intensieve banen, tijd helemaal voor onszelf. We tanken bij voor het nieuwe jaar. We doen ideeën op.

Voor mij is september bij uitstek een maand om los te laten; de herfst nadert. Bladeren beginnen te kleuren, dwarrelen neer. Hoe vaak zeggen we tegen onszelf of een ander: “Laat het los…”?
Of het nu gaat over een vastzittende gedachte, een zeurend gevoel in je lijf, piekeren over het verleden of de toekomst. Gedoe op je werk. Maar ook zijn dingen soms zo prettig dat we het juist willen vasthouden. De meeste mensen waarderen alleen fijne ervaringen en willen vervelende ervaringen niet hebben. In beide gevallen is het een vorm van vastklampen. Zo goed mogelijk situaties laten zijn zoals ze nu zijn is een manier van loslaten.

Het kan eveneens helpen je focus te verleggen. Je kunt in stilte zitten en een paar minuten of langer alleen je ademhaling volgen. Je kunt om je heen kijken en luisteren. Wat gebeurt er?
De omgeving van het vakantiehuis in Zuid Spanje is ver weg en anders dan thuis, tegelijkertijd is het vertrouwd. Als ik ’s nachts op mijn rug op bed lig hoor ik de golven van de zee, onder aan de heuvel op nog geen 200 meter afstand; het rolluik filtert het maanlicht en krekels geven telkens een concert.
Overdag kan ik uren naar de bergen kijken en rond scherende zwaluwen of het water dat zich voor me uitstrekt. De ene keer met hoge omzwiepende golven, de andere keer spiegelglad. Vorig jaar vloog een groep flamingo’s langs de kustlijn. En dit jaar zagen we op een regenachtige dag een school dolfijnen zonder dat we de verrekijker hoefden te pakken. Er plopte zomaar een vraag in me op.
“Zou jij hierheen gaan als ik er niet meer ben?” vroeg ik aan J.
Wat zou ik doen?

Voorlopig moeten we nog een paar jaar werken in tegenstelling tot veel Scandinavische pensionado’s om het vakantiehuis. We zien ze doorheen de jaren ouder worden. Onze buurvrouw noem ik Pippi, de mensen schuin tegenover haar Tommie en Annika. Pippi kletste luidruchtig en veel met iedereen, ‘s middags ging ze steevast met Tommy zwemmen die op gepaste momenten “ja, ja …” zei of humde.
Naast het huis van Tommie en Annika zat af en toe een grijze man met zijn krant en koffie, aan de terrasdeur hing een badpak op een hangertje. De vrouw was nergens te bekennen.

Met Pippi in de buurt las ik bij het zwembad zo ijverig mogelijk. Ik was begonnen aan ‘Jouw gezicht morgen’ van Javier Marías en was verbijsterd over de beschreven gebeurtenissen tijdens de Spaanse burgeroorlog. Waarom wist ik daar niets over? Ik kwam al in Spanje toen Franco nog leefde. Marías beschrijft in zijn boeken hoe dit kon gebeuren. Destijds werd een amnestiewet afgekondigd, zelfs de vuilste was werd niet buiten gehangen, bovendien waren er geen juridische consequenties. Toch hebben de geheimen zich niet onder het vloerkleed laten vegen. Het is belangrijk dat de verhalen doorgegeven worden, het is belangrijk te weten hoe het mensen is gelukt hiermee te leven.
Ook dicht bij huis hoor ik veerkrachtige geschiedenissen. Regelmatig vragen mensen of ik een deel van hun levensverhaal wil lezen. Ze gaan over ingrijpende gebeurtenissen. Over hoop en herstel. Veelal bestaat de behoefte die verhalen los te laten, de wereld in. Al hoeft dat niet in grootschalige oplages zoals de boeken van Marías, het valt niet mee een uitgever te vinden. Plotseling kreeg ik een idee en besloot ter plekke dat ik schrijvers van veerkrachtige korte verhalen een Podium wil bieden. Eenmaal thuis zou ik daar werk van maken.

Tegen het eind van de vakantie kwam Pippi ’s morgens vroeg naast me zwemmen. Ze vertelde honderduit, net als Tommie zei ik af en toe “ja, ja …”. Het water was koel, de zon op mijn gezicht warm. Pippi knikte naar het terras van de man die ’s morgens de krant las en zijn nog steeds onzichtbare vrouw. Hij bleek pas weduwnaar en kwam voor het eerst weer in zijn vakantiehuis. Hij wilde proberen of hij zonder haar het hier naar zijn zin zou hebben. Een dag later waren de rolluiken naar beneden. Het zwempak aan het hangertje was verdwenen.
Ik keek naar twee ligstoelen onder een palm. Vroeg of laat zouden J. of ik hier niet meer komen. Daar hoefde ik me nu niet druk om te maken. Ik hoefde alleen maar te kijken naar de strakblauwe hemel en voorbij scherende zwaluwen.

 

Maassluis, 11 november