Lezen en schrijven

Mijn grootste doel: de lezers bereiken. Zonder hen besta ik niet, leven mijn verhalen minder.
– Renate Dorrestein –

Lezen en schrijven gaan hand in hand. Ik heb nog leren lezen met de leesplank: Aap, Noot, Mies, Wim, Zus, Jet, enzovoort … De lettergrepen van Wei-de en Scha-pen werden gescheiden door liggende streepjes en boven de zeventien woorden hoorden plaatjes. Aap droeg een rood jasje, Jet speelde met haar pop. Ik kreeg een doosje met losse letters bij de leesplank, ze moesten op dezelfde letters van de woorden neergelegd worden. Na een keer of vijf vond ik er niets meer aan. Ik keek liever naar buiten, naar de kat die omhoog klom in één van de kastanjes op het schoolplein of ik bemoeide me omgedraaid in mijn stoel met andere kinderen. Op mijn allereerste rapport kreeg ik een vijf voor lezen. De juf schreef in keurig schoonschrift: “Jammer, Angela kletst enorm. Ze is snel afgeleid”.

Heden ten dage denk ik dat ik me zat te vervelen. Ik kende toch allang de letters en de woorden? Het was zelfs zo dat ik na schooltijd stiekem éen van de boekjes over Ot en Sien uit de kast meenam omdat we daar nog niet waren en ik wilde weten hoe het verder ging.  Hoe oud was ik toen voor het eerst een stukje van mij in de schoolkrant verscheen? Mijn oma had een handje meegeholpen: het is lente/ de bloemen komen uit/ ik hoor een vogel die fluit/ je hoort hem wel maar ziet hem niet/ ik keek in alle hoeken/ik zocht totdat ik hem vond/maar toen zag ik een grote hond/en blaffen dat hij deed.

Ik ben altijd blijven lezen en heb altijd geschreven. Steeds met helpende handen in mijn omgeving, vooral de handen van veel auteurs. Of ze hun boeken nu schreven met een pen tussen de vingers, achter een tekstverwerker of beide. Want om verhalen te bedenken en ze op te kunnen schrijven is het belangrijk ernaast doorgaand te lezen. Niet alleen vanwege technieken: hoe doen die schrijvers dat? Hoe krijgen ze op een geloofwaardige manier een verhaal op papier? Hoe kun je van losse aantekeningen een groter geheel maken? Wil ik letterlijk of figuurlijk schrijven? Lezen heeft me vooral geleerd dat het juíst interessant kan zijn om dingen op te schrijven die ik niet snel hardop zeg of durf te zeggen in plaats van me zorgen te maken of andere mensen het zullen afwijzen of niet. Ik was verbijsterd toen ik voor het eerst een door mij nog onuitgesproken thema terugvond in een roman.

Een schrijfster die nergens voor terug leek te deinzen was Renate Dorrestein. Ze werd op Hemelvaartsdag 2018 begraven. Echt wat voor haar, schoot me te binnen; echt wat voor de vrouw die in haar laatste interview zei: “Natuurlijk lukt het mij om dood te gaan”. Wij lezers moeten het doen met haar erfenis. En wat voor een. Het ging Renate om de lezers en niet of ze wel literair genoeg was. Daar hou ik van. Van de meer dan dertig boeken van haar hand, las ik er zeker tien. Ik weet nog steeds waarover ze gingen, ik herinner me kleinere of grotere details. Een personage dat gek wordt van Vivaldi’s eeuwige ‘Vier Jaargetijden’ op de achtergrond bijvoorbeeld; een immens zware vrouw die haar wezen diep in zichzelf verborgen weet; een ouder die haar kinderen doodt. Renates eigen zoektocht langs artsen en alternatief genezers toen ze de ziekte ME kreeg; bijzondere namen van personages zoals Agrippina, Iola en Lupo, of Sterre toen die naam nog niet in de mode was.

Ik las in 1992 voor het eerst een boek van Renate Dorrestein en nu, ruim een kwart eeuw later, heb ik dus nog niet al haar titels gelezen maar “Weerwater” dat in 2015 uitkwam wel. In dit boek is de wereld vergaan op de stad Almere na. Renate speelt naast andere figuren zelf ook een rol in het geheel en met gemak laveert ze van het Maastrichtse Vrijthof richting haar onderkomen in Almere, de Fantasie. Vastberaden sleept ze me mee doorheen een stad met bewoners die proberen op te krabbelen na een Apocalyps. Renate doet dat zo overtuigend dat ze me nergens laat twijfelen of het wel klopt wat ze schrijft. Ik leef mee met de personages zonder dat ik direct een idee heb waar het allemaal naartoe leidt. Daarmee is het voor mij tot op het laatst een spannend boek met hier en daar verrassende wendingen.

Haar boeken liggen dichtbij Renate Dorrestein zelf. Ze sloot aan bij haar publiek. Daarover gaf ze in het hoofdstuk ‘Voor wie schrijf je?’ in “Het geheim van de schrijver. Voor iedereen die graag leest of schrijft” zelf aan: “Het is vooral de pro-Dorresteinlezer van wie ik het moet hebben, dat onbekende individu in wiens hoofd mijn verhaal zijn vervulling vindt, die vreemdeling ook, die mijn hypotheek betaalt. Zonder hem zouden, hoe je het ook wendt of keert, mijn werk en ik niet bestaan.” Renate was niet bang voor de dood. Ze geloofde in een leven in het hiernamaals. Iedereen van wie ze heeft gehouden en die ze al heel lang miste zou met uitgestrekte armen op haar te wachten. Ik hoop van harte dat haar door zelfdoding gestorven zusje waarover ze eveneens een boek schreef, vooraan stond.  Vanaf hier beneden roep ik haar nog na: “Vaarwel, Renate. Wat heb je ons veel gegeven … Je bent niet echt weg. Ik kan je nog steeds lezen, herlezen en nog eens herlezen …”.

Maassluis, 14 mei 2018

Schrijf de kanker van je af 2

Schrijf de kanker van je af 2

26 april j.l. schreef ik naar aanleiding van het artikel Schrijf de kanker van je af in dagblad Trouw over Daniëlle Steekelenburg-Boeters en haar boek “Tumor! Ik wil leven”.
Ik ben sinds 1998 rouwbegeleider en ben nog nooit iemand tegengekomen die hetzelfde rouwt, al zijn er natuurlijk wel overeenkomstige thema’s waar mensen na een verlies mee te maken hebben. Bonnie Groenewout begon net als Daniëlle kort nadat zij de diagnose kanker kreeg met schrijven. Zij deed dit door het publiceren van een blog.
Nu had ik 26 april al het idee om ook aandacht te besteden aan deze manier van schrijven over kanker, maar dacht al snel: hoe ga ik dat doen? Net zoals m.i. niemand op dezelfde wijze rouwt, heeft iedereen een eigen schrijfstijl. Aan de stijl kun je veelal de schrijver herkennen. Zo hóór ik bij wijze van spreken Bonnie vertellen als ik haar blogs lees. Ik herken, ik kan het niet anders noemen, haar uitbundigheid daarbij. Omdat Bonnie en ik elkaar sinds 2010 regelmatig tegenkomen, onder andere om ervaringen met betrekking tot het schrijven van proza uit te wisselen, dacht ik: weet je wat, laten we gezellig samen aan de keukentafel gaan zitten. Laten we erover praten. Bonnie vond het prima. De eerlijkheid gebiedt me te bekennen dat ik een geheime agenda had. Misschien kon ik tegelijk iets van haar leren met betrekking tot bloggen. Ik begin er immers net mee, zij is inmiddels doorgewinterd.Achteraf gezien is het een beetje uit de hand gelopen theekransje geworden. We hebben lang, veel en serieus gepraat, associatief vooral; Bonnie met haar laptop binnen bereik. Zelf had ik een notitieboekje bij de hand. Ik heb hierin nu 10 pagina’s met treffende uitspraken van Bonnie. Ernaast lees ik haar tips terug, waarom ze is gaan schrijven, wat de blogs haar hebben gebracht, waarmee ze is begonnen. Maar ook de vraag: wanneer eindig je met bloggen als het over kanker gaat?
Bonnie had voordat ze wist dat ze kanker had al Krablog aangemaakt. Ze leeft behalve met kanker eveneens met eczeem en astma. Zij wilde gaan bloggen over eczeem, over haar ervaringen tijdens een heel zware behandeling. Alleen werd ze moe, zo moe dat ze niet kon geloven dat dit door die behandeling kwam. Na bloed- en vervolgonderzoeken bleek dat zij endeldarmkanker had.
“Weet je,” zegt Bonnie, “ik dacht bij mezelf: in het logo van de van de kankerstichting zit ook een krab. Ik had toch nog niets over eczeem geschreven, ik kon het ook over kanker hebben. Ik vond het een mooie manier om iedereen te laten weten hoe het met me ging. In het begin schreef ik heel veel, toen een tijdje niets, totdat mensen gingen vragen om meer. Al was het voor sommigen confronterend, tegelijkertijd zeggen mensen dat ze er ook iets aan hebben. Het zet hen aan het denken… Maar ook heel vaak hoor ik: ‘sorry hoor, maar ik moet zò ontzettend lachen om wat jij schrijft’”. Bonnie benadrukt dat ze kanker niet wil bagatalliseren maar dat ze behalve ingrijpende gebeurtenissen ook veel grappige en absurde situaties meemaakt.
“Je moet het natuurlijk wel willen zien of misschien wel kunnen zien. Ik ga niet heel de dag denken: dat heb ik weer: kanker. Of: Waarom?! Dat heb ik me trouwens geen moment afgevraagd. Wat schiet ik daarmee op? Ik wil duidelijk maken dat je op een andere manier naar kanker kunt kijken. En trouwens, er gebeurt toch nog méér in mijn leven?” Bonnie vertelt dat het schrijven haar veel heeft gebracht. Om te beginnen is zij als zij iets schrijft het ‘kwijt’. Ze laat evengoed iets na; als ze er ooit niet meer is zijn haar blogs er nog wel. Ze is anders naar mensen gaan kijken en zoekt voor het eerst in ons gesprek naar woorden, het lijkt of ze eigenschappen van mensen versterkt is gaan waarnemen, dingen die ze altijd al bij mensen zag lijken nu scherper zichtbaar. Ze vervolgt: “Bloggen opent ook deuren. Mensen durven makkelijker met me over kanker te praten als ze mijn blogs lezen. Het geeft inzichten, niet alleen aan hen, ik krijg ze evengoed. Ik leef nu, ervaar steeds hoe het nù is. En als ik na zo’n lange tijd teruglees wat ik heb geschreven zie ik hoe ik zelf ben veranderd, hoe ik heb gerouwd. Hoe ik bepaalde dingen niet meer kon doen, zoals dansen; maar toch weer heb opgepakt, alleen aangepast. Met het schrijven parkeer ik niet alleen, het geeft me ook energie. Nu inmiddels mijn CEA waarde voor de tweede keer normaal is, wat betekent dat er geen actieve kankercellen in mijn lijf waarneembaar zijn, vraag ik me af of ik niet over andere dingen zal gaan bloggen. Daar ben ik nog niet helemaal uit …”
Ik vraag naar do’s en don’ts. Naar tips. Ineens roept Bonnie “We lijken Aagje Deken en Betje Wolff wel! Dan ben jij Aagje want jouw naam begint ook met een A en ik ben Betje. Zij waren net als wij heel verschillend …” In mijn hoofd verschijnt een plaatje van een geducht schrijversteam uit de achttiende eeuw. Bonnie giert uit en roept: “Jij wilde tips?” Ze pakt haar laptop en googelt op mijn naam. Ik zie beeldscherm breed een reclame van een gratis gemaakt gordijn: Angela Groen. Te koop in een bekende winkel. “Waahoeee, van Deken naar Gordijn. Zorg maar dat die niet bovenaan staat.” Ik lach mee. Het is net of ik in een Krablog ben beland.

Maassluis, 1 mei 2018

Schrijf de kanker van je af

Op 11 april j.l. stond boven een artikel in dagblad Trouw de kop Schrijf de kanker van je af. In het artikel las ik dat veel patiënten na de behandeling worstelen met levensvragen. De grote ‘waarom ik’ vraag maar ook: heeft het leven nog wel zin en hoe nu verder? “Het kant-en-klare zingevingskader is voor veel mensen verdwenen.” Na het lezen van het artikel dacht ik meteen aan twee vrouwen die niet na de behandeling van kanker maar direct of relatief kort na deze diagnose begonnen met schrijven. Bij beide heb ik dit proces mogen meemaken. Ik wil in deze blog hier aandacht aan besteden, vandaag aan het verhaal van Daniëlle Steekelenburg-Boeters en haar boek:

Een hersentumor. Ga er maar aanstaan als je deze diagnose krijgt. De impact is groot, aan werkelijk alle aspecten van het leven wordt geschud.
In de eerste plaats is het eigen bestaan in het geding, hiernaast is het van invloed op het leven van geliefde naasten, familie, vrienden, collega’s en kennissen. Mensen dichtbij en verder weg.
Het kan niet anders dan dat de diagnose gepaard gaat met rouwreacties. In dit geval verlies van gezondheid en alles wat daarmee samenhangt. Er moet hard gewerkt worden om te kunnen rouwen, dit wordt wel Rouwarbeid genoemd. Waarbij er vier taken zijn:
Erkennen (onder ogen zien van wat er aan de hand is, wat kan er wel of niet aan gedaan worden, wat zijn de consequenties)
Herkennen (van de basis emoties, angst, boosheid, verdriet en ook vreugde)
Verkennen (omdat alles wat eerst zo ‘gewoon’ was nu niet meer zo is. Het vraagt om nieuwe vaardigheden. Welke?)
Verbinden (deel uitmaken van dit leven, van deze maatschappij, deze wereld)

Nogmaals: Ga er maar aanstaan. Hoe kun je dat doen?

Het gevaar bij het noemen van vier taken is dat rouwen wordt gezien als het afvinken van een lijstje. Hoe vaak wordt niet gezegd: het-een-plekje-geven. Liever wordt gesproken over: met het verlies leren leven. Omdat gevolgen van de diagnose in meer of mindere mate blijvend aan de orde zijn. Omdat er een leven voor en na de diagnose is. Daniëlles leven zal nooit meer zijn zoals voor de diagnose. Ze zegt het zelf heel treffend: Dit is mijn tweede leven.
En om in dit tweede leven vooruit te kunnen varen, kun je het rouwen vergelijken met roeien in roeiboot. Er zijn twee peddels, de ene peddel geeft aandacht aan het verlies; de tweede peddel geeft aandacht aan het herstel. Wat gebeurt er als je met één peddel vaart? Beide peddels zijn noodzakelijk.
Schrijven heeft veel in zich, alles wat in onze gedachten en emoties zich verzamelt, kunnen we inzichtelijk maken door het letterlijk zwart op wit te zetten. Daar stáát het. Het is er. Dat hoeft helemaal niet in prachtige boekwerken. En al helemaal niet direct. De één schrijft enkele woorden, losse zinnen, het blijft daarbij; bij de andere vloeit het achter elkaar de pen uit.

Wat bij veel mensen gebeurt bleek ook voor Daniëlle van belang. Ze wil haar verhaal delen. Een verhaal dat als een steentje in het water gegooid kan worden, het water beweegt, steeds verder. Hoe mooi is het om met het verhaal ook in verbinding te zijn met de maatschappij. Er zullen ook onbekenden behoefte hebben aan informatie. Wat betekent het om de diagnose tumor te krijgen? Hoe kun je daar gaan aanstaan?
Daniëlle kon destijds zo’n boek niet vinden. Het is er nu wel.

De stijl is de schrijver zegt men wel eens. Bij het lezen van dit boekje is mij duidelijk dat Daniëlles pen vloeide. Met “Tumor. Ik wil leven! ” heeft zij met een gezonde dosis humor een krachtig, inzichtelijk, ontroerend boek geschreven. Prettig en vlot leesbaar.
Kortom: Daniëlle in verbinding met zichzelf en de wereld om haar heen.

Maassluis, 26 april 2018

Belofte

Ik ben een mens van de seizoenen, ik leef van de lente naar de zomer, naar de herfst en winter, naar de lente. Weer en weer. Misschien daarom wel spreekt een van de gedichten van Jules Deelder me zo aan, telkens als ik dwars door de Europoort rijd en levensgroot op een loods zie staan: Alles blijft, alles gaat voorbij, alles blijft voorbij gaan. Misschien is het ook niet zo toevallig dat vijf jaar geleden tussen allerlei kaarten met teksten juist deze woorden van Deelder er tussenuit sprongen. Ik stond aan de vooravond van rouw na een serie ingrijpende verliezen, met als eerste verlies het overlijden van mijn jongste broer Michel door zelfdoding. Kort erna zouden ook mijn broer Ron overlijden en mijn vader. Het gezin waarin ik opgroeide was gehalveerd. Vanzelfsprekend maakte het niets uit dat ik sinds 1998 rouwbegeleider ben. Ik had en heb een weg voort te zetten met dit verlies. Ik heb ermee te leven. Kort na het overlijden van mijn jongste broer sprong dus die kaart met Alles blijft, alles gaat voorbij, alles blijft voorbij gaan er tussen uit. Ik bestelde een hele stapel om mensen te bedanken voor hun blijken van medeleven. Achteraf gezien, kocht ik die kaart ook als een belofte aan mezelf. Ik denk daar de laatste dagen steeds aan. Ik heb me, denk ik nu, steeds aan de woorden vastgehouden; ook toen mijn vader en Ron stierven.
Als kind dacht ik dat alles er altijd zou zijn, mijn oudste broertje met zijn gekkigheden, verzinner van spannende avonturen, hij durfde zoveel meer dan ik; ik dacht dat mijn vader er altijd zou zijn, dat ik altijd naast hem zou kunnen zitten in de vrachtwagen. Ik mocht zelfs met hem mee toen hij een tijdje geen vrachtwagenchauffeur was maar nachtwaker. Hij was voor niemand bang en liep fluitend door verlaten gebouwen op zoek naar inbrekers. Ik hoorde in de verte zijn voetstappen wegsterven. En zeker dacht ik dat mijn jongste broertje er altijd zou zijn. Met zijn zacht bruine ogen, glanzend. Zijn gegiechel.
Wat hielp, was dat ik me bewust was van de noodzaak van aandacht voor verlies en aandacht voor herstel. Ik wilde koste wat het kost deel blijven uitmaken van deze wereld, naast dat er aandacht zou moeten zijn voor het verlies. Dáar hoefde ik weinig moeite voor te doen. Een paar jaar was de meeste lol grotendeels van het leven af. Als ik naar de heide ging om bij te komen, genoot ik niet zoals anders, van de uitgestrektheid, de rust en stilte; nee, ik maakte foto’s van dode bomen, eentje midden op een veld, of van duo’s en een groepje van drie. Die zou ik dan in serie gaan schilderen bedacht ik. Dat bracht ik niet op. Ik heb wel allerlei andere dingen gedaan, geschreven en alternatieve schilderijen gemaakt; gepraat, gepraat, gepraat; naar muziek geluisterd, gewandeld, gefietst.

En wonder of niet, ik kon ook mijn werk blijven doen, eerst aangepast, gedoseerd, maar toch; mijn verlies is niet het verlies van een ander. Ik moest enerzijds een manier vinden met de achtereenvolgende overlijdens te leven en was anderzijds geen moment op zoek naar ander werk. Ondertussen reisden en reizen mijn vader en broers met mij mee, ieder op hun eigen manier, heel divers, allerlei emoties zijn voorbij gekomen. Hoe dan ook wilde ik weer lol krijgen in het leven. En ineens, uit het niets, op een punt dat ik dacht dat ik nooit meer echt blij zou kunnen zijn, werd het lente. Ik zag raapzaad in de wegbermen omhoogschieten. Binnen enkele dagen was de wereld ermee bezaaid. Net zoals ik ook dezer dagen de wegkanten stralend geel zie kleuren. Net als toen herinner ik me ook nu weer hoe ik met Michel in de auto zat, hij voor de laatste keer tastbaar naast me. Ik herinner me weer hoe we lachten, om de bizarre dingen die we mee hebben gemaakt, hoe het sinds lang goed met hem ging. Hoe de hemel blauw kleurde, en de zon over eindeloze weilanden scheen. In de bermen groeide het raapzaad.

Maassluis, 25 april 2018