,

Loslaten

Eindelijk zit ik weer achter mijn laptop om een blog te schrijven. Nou ja, enerzijds eindelijk; anderzijds geschreven op een moment ‘alleen als ik er zin in heb’. Zo kom ik in ieder geval iets van de voornemens in mijn laatste vakantie na.
Het is zonder meer luxe dat mijn geliefde J. en ik ieder jaar in juni en september langere tijd vrij zijn. In september gaan we vrijwel altijd zo’n drie weken naar een heerlijk huis in Zuid-Spanje. Ik vond het bijzonder leuk om bij terugkomst in Nederland te zeggen dat we niks hebben gedaan.
“Zijn jullie dan niet naar het Alahambra geweest? Of naar Ronda?”
Ja, ja, we weten het, er is veel moois in Andalusië. We gaan heus wel eens naar een bezienswaardigheid. Wel eens, want wat ons betreft komen we in het zuiden vooral los van intensieve banen, tijd helemaal voor onszelf. We tanken bij voor het nieuwe jaar. We doen ideeën op.

Voor mij is september bij uitstek een maand om los te laten; de herfst nadert. Bladeren beginnen te kleuren, dwarrelen neer. Hoe vaak zeggen we tegen onszelf of een ander: “Laat het los…”?
Of het nu gaat over een vastzittende gedachte, een zeurend gevoel in je lijf, piekeren over het verleden of de toekomst. Gedoe op je werk. Maar ook zijn dingen soms zo prettig dat we het juist willen vasthouden. De meeste mensen waarderen alleen fijne ervaringen en willen vervelende ervaringen niet hebben. In beide gevallen is het een vorm van vastklampen. Zo goed mogelijk situaties laten zijn zoals ze nu zijn is een manier van loslaten.

Het kan eveneens helpen je focus te verleggen. Je kunt in stilte zitten en een paar minuten of langer alleen je ademhaling volgen. Je kunt om je heen kijken en luisteren. Wat gebeurt er?
De omgeving van het vakantiehuis in Zuid Spanje is ver weg en anders dan thuis, tegelijkertijd is het vertrouwd. Als ik ’s nachts op mijn rug op bed lig hoor ik de golven van de zee, onder aan de heuvel op nog geen 200 meter afstand; het rolluik filtert het maanlicht en krekels geven steevast een concert.
Overdag kan ik uren naar de bergen kijken en rond scherende zwaluwen of het water dat zich voor me uitstrekt. De ene keer met hoge omzwiepende golven, de andere keer spiegelglad. Vorig jaar vloog een groep flamingo’s langs de kustlijn. En dit jaar zagen we op een regenachtige dag een school dolfijnen zonder dat we de verrekijker hoefden te pakken. Er plopte zomaar een vraag in me op.
“Zou jij hierheen gaan als ik er niet meer ben?” vroeg ik aan J.
Wat zou ik doen?

Voorlopig moeten we nog een paar jaar werken in tegenstelling tot veel Scandinavische pensionado’s om het vakantiehuis. We zien ze doorheen de jaren ouder worden. Onze buurvrouw noem ik Pippi, de mensen schuin tegenover haar Tommie en Annika. Pippi kletste luidruchtig en veel met iedereen, ‘s middags ging ze steevast met Tommy zwemmen die op gepaste momenten “ja, ja …” zei of humde.
Naast het huis van Tommie en Annika zat af en toe een grijze man met zijn krant en koffie, aan de terrasdeur hing een badpak op een hangertje. De vrouw was nergens te bekennen.

Met Pippi in de buurt las ik bij het zwembad zo ijverig mogelijk. Ik was begonnen aan ‘Jouw gezicht morgen’ van Javier Marías en was verbijsterd over de beschreven gebeurtenissen tijdens de Spaanse burgeroorlog. Waarom wist ik daar niets over? Ik kwam al in Spanje toen Franco nog leefde. Marías beschrijft in zijn boeken hoe dit kon gebeuren. Destijds werd een amnestiewet afgekondigd, zelfs de vuilste was werd niet buiten gehangen, bovendien waren er geen juridische consequenties. Toch hebben de geheimen zich niet onder het vloerkleed laten vegen. Het is belangrijk dat de verhalen doorgegeven worden, het is belangrijk te weten hoe het mensen is gelukt hiermee te leven.
Ook dicht bij huis hoor ik veerkrachtige geschiedenissen. Regelmatig vragen mensen of ik een deel van hun levensverhaal wil lezen. Ze gaan over ingrijpende gebeurtenissen. Over hoop en herstel. Veelal bestaat de behoefte die verhalen los te laten, de wereld in. Al hoeft dat niet in grootschalige oplages zoals de boeken van Marías, het valt niet mee een uitgever te vinden. Plotseling kreeg ik een idee en besloot ter plekke dat ik schrijvers van veerkrachtige korte verhalen een Podium wil bieden. Eenmaal thuis zou ik daar werk van maken.

Tegen het eind van de vakantie kwam Pippi ’s morgens vroeg naast me zwemmen. Ze vertelde honderduit, net als Tommie zei ik af en toe “ja, ja …”. Het water was koel, de zon op mijn gezicht warm. Pippi knikte naar het terras van de man die ’s morgens de krant las en zijn nog steeds onzichtbare vrouw. Hij bleek pas weduwnaar en kwam voor het eerst weer in zijn vakantiehuis. Hij wilde proberen of hij zonder haar het hier naar zijn zin zou hebben. Een dag later waren de rolluiken naar beneden. Het zwempak aan het hangertje was verdwenen.
Ik keek naar twee ligstoelen onder een palm. Vroeg of laat zouden J. of ik hier niet meer komen. Daar hoefde ik me nu niet druk om te maken. Ik hoefde alleen maar te kijken naar de strakblauwe hemel en voorbij scherende zwaluwen.

 

Maassluis, 11 november

Achter de fanfare

Ik heb de neiging achter de fanfare aan te lopen. Als klein meisje deed ik dat letterlijk zodra een drumband en majorettes door de grote winkelstraat voorbij kwamen en ik op de maat mee marcheerde in de veronderstelling dat toeschouwers dachten dat ik erbij hoorde.
Tegenwoordig komt het voor dat gebeurtenissen of actualiteiten passeren waarbij ik denk, daar zou ik wel een blog over willen schrijven; alleen savoureer ik eerst mijn gedachten, ik wil ze proeven en toetsen. Vandaar dat ik nu pas over de Canal Parade van 4 augustus j.l begin onderdeel van de langer durende Gay Pride Amsterdam 2018.
Ik was niet lijfelijk aanwezig tussen de duizenden mensen; de vele LBHT’ers ofwel lesbiennes, homo’s, biseksuelen en transgenders. Moet dat nou? vroeg journalist Gijs van der Sanden zich in het Algemeen Dagblad af. Boven zijn artikel stond: ja dat moet.
Ik ben het met hem eens.

Binnen de psychosociale hulpverlening spelen psychische- en sociale aspecten van de mens een rol. Regelmatig komt tijdens hulpverleningsgesprekken de vraag naar voren: wie ben ik? Dit houdt veel deelnemers en bezoekers van de Parade nadrukkelijk bezig.
Eerlijk gezegd had ik tot begin jaren negentig van de vorige eeuw nooit zo nagedacht over het hoe en waarom van al die de uitgedoste mannen en vrouwen, behalve dat ik niet half bloot op een boot wil springen zoals sommigen doen. Totdat ik op mijn opleiding de vakken sekse-specifieke hulpverlening ging volgen, met modules over mannen- en vrouwen hulpverlening, homo- en lesbische hulpverlening. Hoewel het voor homo’s en lesbiennes die nog niet uit de kast kwamen een voordeel kan zijn dat een hulpverlener homo of lesbisch is, is mijns inziens een zo onbevooroordeeld mogelijke houding van hetero hulpverleners ten aanzien van LBHT’ers evengoed van belang. Zijn die oordelen er wel, dan is het goed dat een hulpverlener zich daar bewust van is en bij zichzelf nagaat of daar iets aan gedaan kan worden. Dat gaat volgens mij gepaard met interesse in welke medemens dan ook. Met kennis.

De Gay Pride is in 1969 ontstaan ter herdenking van de Stonewall-rellen die ontstonden na invallen in de homobar The Stonewall Inn in de wijk Greenwich Village in New York. Na jaren van treiterijen en geweldplegingen besloten bezoekende homoseksuele mannen, travestieten en lesbiennes terug te vechten. Exact een jaar na de rellen vond in New York de eerste Gay Pride Parade ooit plaats. Uitleg van mijn docent openden mijn ogen. De uitdossingen symboliseren ‘trots’. Ze vergroten uit: ik ben wie ik ben.
Natuurlijk hoeft niet iedere LBHT’er daaraan mee te doen, het kan zelfs beangstigend werken. Tegelijkertijd kan het anderen helpen: je hoeft je niet te verstoppen. Want hoewel homoseksualiteit door twee derde van de Nederlandse bevolking geaccepteerd wordt, valt er nog veel te verbeteren. En als we over onze landsgrenzen gaan nog meer.
De doelstellingen van de Gay Pride verschillen per land, afhankelijk van de homo-emancipatie. Er zijn Parades waarin gelijke rechten worden opgeëist, bijvoorbeeld het homohuwelijk; er zijn Parades die demonstreren tegen vervolging, onderdrukking en discriminatie. In sommige landen worden deelnemers aan de Parade op gewelddadige wijze aangevallen, in Moskou en St. Petersburg worden doorgaans de Parades verboden. In tientallen landen is homoseksualiteit strafbaar, in ongeveer tien landen kan een relatie tussen mensen van hetzelfde geslacht leiden tot de doodstraf. Dit levert ernstige kritiek van de internationale gemeenschap op in verband met het schenden van de mensenrechten.
Hiernaast wordt homoseksueel gedrag binnen verschillende religieuze richtingen niet geaccepteerd terwijl religie voor miljoenen mensen een richtsnoer in het leven is. Ik werkte eens met een stagiaire die beweerde dat ‘het’ binnen haar geloofsgemeenschap echt niet voorkwam.
Maar volgens verschillende statistische gegevens is 5-10 % van de wereldbevolking homoseksueel, dus ook binnen religieuze kringen. Enerzijds wordt homoseksualiteit binnen deze kringen veelal afgewezen, anderzijds zijn er wel discussies gaande met zeer uiteenlopende opvattingen onder bijvoorbeeld joden, christenenmoslims en hindoes.
Ter illustratie werd op 13 augustus j.l. in het tv programma Kijken in de ziel: religieuze leiders onder andere aandacht besteed aan homoseksualiteit. Alle religieuze leiders in deze aflevering zijn werkzaam in Nederland.

Glem Boners (79) gaf in AD magazine d.d. 4 augustus aan dat in Nederland de tolerantie ten aanzien van LBHT’ers flinterdun is. Deze man maakt wanneer hij mensen voor het eerst ontmoet nog steeds een afweging: vertel ik dat ik homo ben of niet? Een hetero hoeft zich nooit te verantwoorden voor zijn seksuele geaardheid.
Het gevoel van verantwoording afleggen is niet zo vreemd, pas in 1971 werd in Nederland de minimum leeftijd voor homoseksuele contacten gelijkgesteld aan de minimum leeftijd voor het toestaan van heteroseksuele contacten. Tot dan moest men om homoseksualiteit te praktiseren in tegenstelling tot het praktiseren van heteroseksualiteit meerderjarig zijn.

Over het wel of niet praktiseren van homoseksualiteit zijn veel non-fictie boeken en romans geschreven, twee ervan schieten me direct te binnen.
Allereerst de autobiografie Onderweg van de in 2015 overleden neuroloog Oliver Sacks. Ik heb veel van zijn werk gelezen maar nooit geweten dat hij homoseksueel was; hoe hij hiermee worstelde in een tijd dat dit in het Verenigd Koninkrijk nog strafbaar was, waar om die reden nog chemische castratie werd toegepast. In sommige delen van het Verenigd Koninkrijk werd homoseksualiteit pas in de jaren tachtig legaal. Het is ontroerend om te lezen hoe Oliver Sacks omging met schrijnende reacties uit zijn directe omgeving en vanuit de maatschappij. Ik ben ook oprecht blij dat hij na een jarenlang celibatair leven op hoge leeftijd nog een partner vond aan wie zijn autobiografie werd opgedragen.
Hiernaast vind ik de roman Ongehoorzaamheid van Naomi Alderman een aanrader. Het boek geeft een goed beeld van het orthodox joodse leven en de bijbehorende wetten; binnen die context rijst de vraag of je in deze gemeenschap openlijk kan zijn als je je aangetrokken voelt tot je eigen sekse. Het thema is inzichtelijk uitgewerkt en laat tot het eind toe te raden of en hoe dit op te lossen is voor beide vrouwelijke hoofdpersonen.

Ik zou willen dat ieder mens ongeacht zijn geaardheid zichzelf mag zijn. Zonder dubbelleven. Eerdergenoemde Glem Boners deed dit jarenlang tot hij op een dag besloot aan zijn werkgeefster te vertellen dat hij homo is. Hij verwachtte ontslag. Maar zijn werkgeefster zei alleen: “Nou en?” Dat was zo’n bevrijding dat de Glen in tranen uitbarstte.
Daarom blijf ik achter de parade aanlopen, net zolang tot LBTH’ers niet meer het gevoel hebben over hun geaardheid verantwoording te moeten afleggen. En als ze dat toch doen? Dan loop ik net zolang mee tot de algemene reactie “Nou en?” wordt.

 

Maassluis, 29 augustus 2018

Nee is Nee

“Hoezo krijg je niets op papier?” vraag ik aan mensen die dat wel willen, maar denken dat ze het niet kunnen. Ik ben namelijk van mening dat iedereen die over een gebeurtenis kan vertellen, in staat is eigen wijze verhalen te schrijven. Het gaat daarbij niet over wereldliteratuur of een Nobelprijs.
Eigenlijk zijn enkele ingrediënten al voldoende om de ontelbare verhalen die zich dagelijks aandienen op te rapen. Wees aandachtig. Merk op wat om je heen gebeurt. Of in jezelf. Dat kan zijn ver weg, op vakantie bijvoorbeeld, op een terrasje, bij de paspoortcontrole. Maar een situatie in de supermarkt, op je werk of bij jouw thuis kan evengoed. Schrijf wat steekwoorden in een notitieboekje. Zo eentje die makkelijk in tas of jaszak past. Mijmer er op los. Wat gebeurde er in de opgemerkte situatie? Waar was het? Hoe zag het er uit? Waren er andere mensen, hoeveel? Wat vond je ervan? Had de situatie een andere wending kunnen nemen als …?
En zoals ik in een eerdere blog schreef, gaan ook lezen en schrijven hand in hand. De krant bijvoorbeeld is een geweldige inspiratiebron. Wat ik pas toch las.

Wie vindt dat witte sportsokken of pantysokjes passie dodend zijn; ik weet er nog één. Het was tenminste mijn eerste gedachte toen ik eind juni deze kop in Trouw las: “Pas als het sekscontract is getekend, mogen de Zweden vrijen”. Geen papieren contract in drievoud (ééntje voor de sekspartners en een voor de notaris) of een meervoud daarvan (al laat ik het aan me voorbij gaan het bestaat wel: als meer dan twee mensen bij de seks betrokken zijn); nee, het gaat om een app.
De app ‘moet vergemakkelijken en bewijzen dat mensen die een seksuele verbintenis aangaan dit doen op basis van vrijwilligheid en toestemming’. Zo’n afspraak wordt ondertekend met de Zweedse variant van onze Digid. Dit alles heeft met de ‘Goedkeuringswet’ te maken die 1 juli in werking trad: seks is strafbaar als de tegenpartij er niet nadrukkelijk mee heeft ingestemd. Het idee voor de ‘Goedkeuringswet’ is uit de #MeToo beweging voortgekomen. Het regende aanklachten in Zweden, de regering wilde actief tegen seksueel geweld optreden. Mogelijk krijgt de app juridische draagkracht gaf de initiator van de app aan. De praktijk zal het uitwijzen.

De onderliggende intentie kwam pas later bij me binnen. Ik dacht eerst pragmatisch aan andere dingen:
– Wat als je je telefoon niet bij je hebt maar je ziet seks allebei heel erg zitten?
– Wat als je je telefoon wel bij je hebt maar de batterij is leeg
– Wat als je je telefoon bij je hebt maar de batterij is bijna leeg èn de oplader is kwijt
– Wat als je je wachtwoord van je Digid vergeten bent
– Geldt dit alleen als je het nog nooit met een optionele partner hebt gedaan? Wanneer vraag je: heb je je telefoon bij je hoewel dat tegenwoordig meestal vrij snel duidelijk is?
– Wanneer ga je je app gebruiken? Bij een blik? Wat voor soort blik? Bij een flirt? Als je wordt aangeraakt? Want gewenst of niet?
– Geldt gebruik van de app voor samenlevende sekspartners? Niet? Of wel? Komt seksueel geweld daar nooit voor?
– Maken parenclubs groepsapps aan? Zou dat problematisch worden met de AVG ofwel de algemene verordening gegevensbescherming, een Europese verordening?
– Wat als je na een ja, bij nader inzien van gedachten verandert, ongeacht waarom?
– Komt na de film “You’ve got mail” een film met de titel “You’ve got an app”?
– Hoe moet het met romantische en erotische scenes in de literatuur? Nemen we daar de appjes in mee?
– Wie controleert of gebruik wordt gemaakt van de apps en wanneer?
– etcetera etcetera etcetera
– Waar gaat het met deze wereld naar toe?

Ik kan ervoor kiezen nu geen blog te schrijven maar geestdriftig aan een kort verhaal te beginnen met de gedachte ‘Je wilt seks, wat als je je telefoon bij je hebt maar de batterij is bijna leeg èn de oplader is kwijt’.
Dat kan een andere keer. Toch maar kort naar die onderliggende intentie van de app.
In mijn werk als psychosociaal hulpverlener en daarbuiten kom ik zowel vrouwen als mannen tegen die te maken hebben gehad met seksueel geweld, volgens de cijfers vrouwen vaker dan mannen. Voor mij staat buiten kijf dat seksueel misbruik ontoelaatbaar is. Dat is wat de Zweedse regering wilde tonen met de ‘Goedkeuringswet’. Echter, het beleid veranderen van ‘handen thuis bij een nee’ in ‘niets doen tenzij met een volmondig ja’ met als hulpmiddel een app slaat m.i. de plank mis. Het uitwerken van andere ideeën overstijgt helaas de ruimte die een blog biedt, de problematiek is te complex. Cultuur- en tijdgebonden. Interpretatiegevoelig. Niet alleen interpretatiegevoelig hoe gedrag verstaan wordt maar evengoed in de discussie over de problematiek. Dat bewijst wel de ‘shitstormen’ die filosofe Svenja Flaßpöhler over zich heen kreeg. Flaßpöhler is één van de uitgesproken critici van het #MeToodebat, waaruit de Goedkeuringswet voortkwam. Zij stelt dat om te beginnen bij de leus ‘Ik ook’ het probleem al begint: Wat ook? Waar heeft dat betrekking op? Het gaat van verkrachting tot handtastelijkheid tot versierpogingen. Zie daar mijn eerdere pragmatische vraag: wanneer gaan mogelijke sekspartners de app gebruiken?
Het #MeToo debat ontaardt volgens Flaßpöhler in een moreel totalitarisme dat niet in een rechtsstaat past.
Ik kan me daar in vinden. Daarom wat overwegingen: seksueel misbruik gaat over grenzen en grenzeloosheid. Denk bij grenzeloosheid aan ruimte die genomen en gegeven wordt. Het gaat over macht en machtsmisbruik. Het gaat over keuzes. Over communicatie. Het begint bij de opvoeding. Leer kinderen ja en nee zeggen. Laat duidelijk zijn: ja is ja. Nee is nee.

 

Maassluis , 2 augustus 2018

Aandachtiger (3)

Vorig jaar was het de warmste juni in ruim een eeuw, terwijl we plannen maakten wat we zouden gaan doen, kroop het kwik in het Geuldal vijf dagen achtereen tot bijna vijfendertig graden. Het familiehotel had geen zwembad en verkoeling onder de bomen van het langgerekte Vijlenerbos
bleek met gutsende lijven en zwermen vliegen geen pretje. Behalve een rondvaart op de Maas beperkten we ons tot terrasjes in Valkenburg en Maastricht met aansluitend het terras van het hotel waar we begonnen met water of alcoholvrij bier voordat we rosé bestelden.
Dat terras van het hotel was te verkiezen boven ons balkon met uitzicht op het dal, al was het uitzicht prachtig. De gasten uit de kamers naast ons zaten op nog geen meter afstand. Alleen de balkonreling diende als afscheiding, ik kon bijna de thermoskan van hun geblokte kleed over het tafeltje pakken. De thermoskan stond naast een vaas met bloemen. Toen ik naar een pluim rook vlakbij de brug van Moresnet in de verte wees en zei: “Hé J., wat brandt daar nou?” pakte de buurman zijn verrekijker.
Ik draaide mijn rotanstoel met mijn rug naar de buren. J. boog zich naar me toe. “Tamelijk sociaal tot de voordeur, An …” fluisterde hij.
Zelf niet meer geïnteresseerd in de rookpluim tuurde ik door mijn eigen verrekijker naar de camping waar we nu zitten. Hier is wel een zwembad. Juni 2018 is de derde zeer warme maand op een rij, met maar een paar kleine verstoringen.

Dit jaar is het beter te doen in het bos, we lopen eerst een bekende route met een steil startpunt waarbij ik altijd direct mijn been- en bilspieren voel. Toch lukt het me veel beter dan bij het klimmen per fiets mijn adem goed te gebruiken, in-in-uit-uit op de maat van de stappen. Onder de wisselende naald- en loofbomen groeien de adelaarsvarens boven mij en lage geraniumpjes uit. Een groot veld waar volgens mij ieder jaar Ridderspoor groeide blijkt ineens overwoekerd met brandnetels en nog meer bramen. Stond die bloeiende vlier er vorig jaar ook al? Je kunt van de bessen vlierbessensiroop maken als je tenminste het onderscheid tussen de Sambuscus nigra en de Sambucus racemosa weet. De laatste rodere soort groeit hier ook en is heel giftig. Allemaal geleerd van onze schoonzoon, een landschapsbeheerder. Hij zal vlakbij samen met onze dochter en de kleinkinderen in juli op een natuurcamping een tent neerzetten. We lopen het bos uit, het dal in om daar een kijkje te nemen en zetten erna via smalle weggetjes de pas erin naar het kerkje van Sippenaeken. Het ligt boven het Geuldal in België en is open. Binnen ruikt het naar oud hout, op een prikbord hangen vele bidprentjes, de overledenen zijn vast begraven op het kerkhofje naast de kerk.
Vlak achter het hek van het kerkhof is een graf scheef gezakt, een man en vrouw rusten er sinds 1965 nadat hij drie dagen na haar is overleden.
We maken een foto om er later achter te komen dat we dat al eerder deden. In onze fotoboeken is eveneens te zien hoe een kwart eeuw geleden de kanten langs de snelstromende Geul op sommige stukken nog vrijwel onbegroeid was, hoe je vanaf de kant het water in kon stappen om steentjes op te rapen. De kinderen gooiden ze vanaf een bruggetje in het water. We maakten foto’s hoe we picknickten, met opkomende maisvelden, blauwe hemels en grote weiden op de achtergrond. Op één foto renden we met onze armen weid uit elkaar een helling af, zoals de familie von Trapp in de film The Sound of Music.
Ik denk niet dat mijn schoonzoon hetzelfde zal doen. Wel wandelen onze kleinkinderen hier binnenkort ook.

Uitgerekend de buurman uit de caravan tegenover ons, die van “Dat was zeker eens maar nooit meer?” tipte ons drie dagen voor vertrek over de Vennbahn Radweg, een fietsroute van Aken naar Luxemburg, totaal honderdvijfentwintig kilometer. Ik mocht dan ‘O jaaa, moet jij eens opletten’ denken bij zijn opmerking, ik had andere afstanden in gedachten.
Op aanwijzingen van de campingreceptioniste zoeken we in het centrum van Aken naar de plaatselijke toeristeninformatie. Ze heeft weliswaar de van dag tot dag route voor ons uitgeprint, het is onduidelijk waar precies in Aken de route begint of beter gezegd waar in Aken het startpunt station Aachen-Rothe Erde is. Wanneer op een bepaalde plek de fietspaden ophouden en we niet weten of we er mogen fietsen helpt ongevraagd een Duitser ons verder omdat hij ons zo ziet kijken. En eindelijk bij de toeristeninformatie worden we even vriendelijk geholpen. Hoewel volgens ons de fietskaart negen euro kost, krijgen we hem gratis mee.
Wat mij persoonlijk bijzonder aanspreekt is dat het fietspad is aangelegd op een oud spoorwegtracé en dat de route eenvoudig wordt genoemd, geleidelijk verlopend op het grondgebied van Duitsland, België en Luxemburg. Deze vakantie proberen we alleen de helft van de eerste etappe uit.
Al snel blijkt het verschil tussen eenvoudig en de nijdige hellingen op de Epenerbaan, bij nader inzien is het eerste deel van dit parcours ronduit saai. De eerste tien kilometer rijden we door iets dat meer op een park lijkt dan op een bos, onderbroken door woonwijken en de stank van een composteer- en vergistingsinstallatie. De enkele klaproos en in het wild groeiende puntwederik veranderen hier niets aan.
Het is redelijk rustig, we maken flink tempo omdat het pad verder verkeersvrij is. Er is bewegwijzering naar beide kanten, alleen missen we de beloofde infopanelen met interessante achtergrondinformatie. Waarschijnlijk zijn ze verderop te vinden, langs de Hoge Venen, de heide en bossen, het stuk van de Ourvallei naar Troisvièrges in Luxemburg. We zien wel wat oude stations en treinen.
Na een broodje vinden we het welletjes. De terugweg gaat veel sneller, hebben we heen op een ellenlang vals plat gereden? Dan ineens hoor ik een doffe plof. Ik heb toch niet weer een lekke band? Terwijl J. in eerste instantie niets in de gaten heeft en doorfietst, zie ik zo’n vijfentwintig meter achter me mijn rugzak op de weg liggen. Hij is onder de snelbinders vandaan geglipt. Een wandelende Duitse man en vrouw roepen. Als de vrouw me tegemoet loopt en een gezellig gesprek begint dat ik moeilijk versta, weet ik niet anders te bedenken dan “Danke, danke”.
“Ze is zeker aardig vanwege de oorlog.” zegt J. even later.
Ik denk aan de man in Aken die ons ongevraagd hielp. Aan de medewerkster van de toeristeninformatie. Het moet een keer afgelopen zijn maar sommige oude grappen zijn hardnekkig: “Ze trok niet eens aan mijn stuur. Ze probeerde niet eens zoals bij grootmoeder, m’n fiets te vorderen.”

Terug bij de caravan begint het zachtjes te regenen, tegelijkertijd schijnt de zon. Ik schuif alle gordijnen open, het is heel licht binnen. Op het dak tikken de druppels. De toppen van de bomen aan de overkant kleuren bruin oranje door de zon, daarboven verschijnt een regenboog.
J. neemt een slok van zijn bier. “Net de luifel van een tent, zo. Volgend jaar weer?”

 

Vaals, 16 juni 2018 – Maassluis, 16 juli 2018.

,

Aandachtiger (2)

Onze fietsen staan achter de caravan. Mijn achterband is niet een beetje lek, hij is hartstikke lek. Direct onder het ventiel zit een scheur en de rijwielhandel in Vaals is pas over drie dagen open.
“Zullen we naar het American Cemetery in Margraten gaan?” vraagt J.
Ik aarzel. Het is bijna een kwart eeuw geleden dat we de kinderen meenamen naar de Amerikaanse militaire begraafplaats en het monument ter nagedachtenis aan soldaten van de Verenigde Staten die in de Tweede Wereldoorlog stierven, onder andere tijdens de strijd in Zuid-Limburg en het Ardennenoffensief.
Ik vind niet dat ‘het gezanik over die oorlog nu maar eens afgelopen moet zijn’ zoals vader rond vier mei meestal riep. Was het te pijnlijk? Hij groeide op in Crooswijk, een volksbuurt naast het platgebombardeerde centrum van Rotterdam. Een deel van de slachtoffers werd in een massagraf begraven op begraafplaats Crooswijk. En in de hongerwinter zocht hij met zijn zusje naar hout of kolen langs de spoorlijn, hij was zes jaar.
Moeders kinderjaren tijdens de oorlog zijn gehuld in half uitgesproken geheimen, waarbij de terugkeer van mijn gevluchte en ondergedoken grootvader aan het eind van de oorlog en de directe verbanning van mijn grootmoeder uit het gezin, centraal staan. Hierover gaan meerdere verhalen de ronde, nog steeds komen mij via via details ter ore. Wat is waar? In ieder geval hebben de vele versies één ding gemeen: ze hebben moeder getekend.
Veel ouderen kunnen zich helemaal niet vinden in vaders uitroep, andere ouderen misschien wel. Ook jongere generaties doen soms opmerkelijke uitspraken. Zo las ik ooit een boekbespreking van een dertiger over het boek van een even oude Joodse schrijfster. Waarom, vroeg de dertiger zich af, moeten Joden het altijd over Jodendom en de Holocaust hebben? Hij had dat nooit begrepen, het riep vooral irritatie op.
Lees de boeken van haar vader of grootvader eens, dacht ik. Haar vader was bekend journalist, interviewer, televisiepresentator en toneelschrijver; hij groeide op in een door oorlogservaringen getraumatiseerd en geneurotiseerd gezin. Op zijn achttiende werd hij ‘uit huis gezet’ zoals zijn ouders eveneens het contact verbraken met hun dochter en jongste zoon.
De oorlog had en heeft op miljoenen mensen impact, op mensen uit àlle betrokken landen; vijandig of niet.
“Hoe laat wil je gaan?” zeg ik tegen J.

We rijden zonder woorden door het Zuid Limburgse landschap, nergens kom ik zo tot rust als hier. Ik hoef alleen maar te kijken naar het zacht glooiende landschap. Tot ik twee jaar terug het boek ‘Het Geluk van Limburg’ van Marcia Luyten las wist ik weinig van wat jaren zowel boven als onder de grond in de mijnen gebeurde. Als de Limburgse Luyten het niet eens wist, hoe had ik dan van de vele onvoorstelbare en ronduit schandalige gebeurtenissen kunnen weten? Heel veel is doelbewust weggeveegd en weggestopt, decennia lang.
Wat ervan te denken dat daden van verzet in Limburg tijdens de Tweede Wereldoorlog nergens terug te vinden zijn in de werken van Lou de Jong? Wat ervan te denken dat naast de mijnwerkers landverraders en misdadigers te werk werden gesteld. Het misprijzen van de buitenwacht over de mijnwerkers. Ik las ontroerd hoe Limburgia in 1950 landskampioen werd door te winnen van Ajax terwijl ik niet eens van voetbal houd.
In het Crooswijk waar mijn vader opgroeide is vandaag de dag op een huizenblok een uitspraak geschilderd: Je krijgt nooit een betere toekomst als je aan gisteren blijft denken.
Veel deelnemers van mindfulness trainingen die ik geef piekeren over verleden en toekomst. We oefenen op een bepaalde manier aandachtig te zijn, gericht op het hier en nu. Dan rijst wel eens de vraag of denken aan vroeger of later ‘dan niet meer mag’. Natuurlijk wel, onze gedachten komen en gaan. Zoals filosoof Kierkegaard daarbij al aangaf: het leven wordt achterwaarts begrepen en voorwaarts geleefd. We kunnen leren van ons verleden en in het ogenblik komen verleden en toekomst bij elkaar.
Vanaf de parkeerplaats lopen we langs strakke gazons, geen sprietje staat verkeerd. Tegenover het bezoekerscentrum zijn grote wanden met drie kaarten, ze tonen onder andere de luchtlandigsoperatie bij Market Garden, het oversteken van de Roer en militaire acties vanaf de landingen in Normandie tot het einde van de oorlog in Europa. We lopen over het Ereplein naar de spiegelvijver, in de muren om het plein heen zijn de namen van 1722 vermisten gebeiteld. Achter het standbeeld van de rouwende moeder staat een toren met kapel.
Net als jaren geleden toen we hier met de kinderen waren overvalt het beeld van de 8301 graven me. Ze hebben witte marmeren kruisen en davidsterren en staan in parallel lopende bogen die zich uitstrekken langs brede gazons.
Is het de hoeveelheid graven die de brok in mijn keel veroorzaken? Zoveel mensen gaven hun leven om ons te bevrijden. Zoals de officieren en soldaten hier liggen, door elkaar; vrijwel alle kruisen en davidsterren zijn hetzelfde. Iedereen is in de dood gelijk. We wandelen over de promenade, lezen onderweg namen. Zonen, broers, vaders of dochters en zussen. Aan het eind van de promenade gaan we op een trap zitten. Wat zou er gebeurd zijn als de geallieerden niet waren gekomen?
Ineens kan ik de brok in mijn keel en tranen niet mee bedwingen.
“Twijfelde je daarom?” vraagt J. als hij ziet dat ik huil.
Ik haal mijn schouders op. Het is te groot. Niet te bevatten.

 

Vijlen 10 juni 2018 – Maassluis 3 juli 2018

Aandachtiger (1)

 

Bewust proberen te mediteren is geen meditatie. Het moet gebeuren, het kan niet worden opgeroepen. Elke poging te mediteren is juist een ontkenning ervan. Wees je alleen maar bewust van wat je denkt en doet, en niets anders.
-Jiddu Krishnamurti-

We gaan jaarlijks in juni en september op vakantie waarbij ik in juni kies waarheen we gaan. Geliefde J. doet dat in september. Dit jaar is een compromis omdat ik van te voren wist dat kamperen voor J. uitgesloten is. Zelf stond ik als meisje regelmatig in onze gangkast de geur van de tent op te snuiven, zo graag wilde ik ermee weg, terug naar warme landen waar ik heel de dag buiten kon zijn. J. kon zich daar niets bij voorstellen totdat hij na de zoveelste woordenwisseling hierover één nacht in een tent van zijn broer sliep. Onze drie kinderen waren nog klein, het was in het voorseizoen op een verder leeg veld in de Biesbosch vlakbij het sanitaire gebouw. Het begon te plenzen. Het bleef plenzen.
’s Avonds naderden langzaam twee koplampen, mijn zwager bracht pils en saté omdat het weer zo tegen zat. J. nam een slok en keek quasi peinzend het donkere watergordijn in.
“Wat denk je, An? Zijn materie en geest gescheiden?” Dat we de slappe lach kregen mocht niet baten. Voortaan was een luxe stacaravan het hoogst haalbare op kampeergebied. We hebben het welgeteld drie keer gedaan.

Vele vakantiehuisjes, appartementen en hotels verder, heb ik vanaf vorig jaar juni mijn been stijf gehouden. We zaten in een familiehotel in het Geuldal in Epen ofwel Ieëpen. Ik tuurde met de verrekijker naar een camping aan de andere kant van het dal.
“Weet je nog dat we daar een stacaravan huurden? In 1994? Weet je nog dat een boer in verband met de wereldkampioenschappen voetbal een televisie op zijn erf had gezet?”
J. knikte. “Ja, de meisjes en ik speelden keeper Ed de Goeij na op het sportveld, Ed-de-Goeijen noemden ze dat. Die kleine rende kris kras over het veld met zijn korte beentjes. Hij vond alles mooi, vooral de zwaluwen.”
In mijn hoofd verschijnt een beeld uit een fotoalbum: J. en onze jongste kijken omhoog naar een nest onder een dakgoot. De blonde haren van mijn zoon nog nat van het peuterzwembad, het badlaken om zijn schouders hangt half op de grond. J.’s hand rust op zijn rug.
“Verrassing!”zei ik. “De wereldkampioenschappen 2018 kijk je ook weer in een caravan… Dáar!”

Eerlijk is eerlijk. Hebben we echt met zijn vijven in dit soort caravans geslapen? Het zitgedeelte met een televisie uit de vorige eeuw is voor J. en mezelf groot genoeg; in de ouderslaapkamer staat een bed van één meter veertig tegen een muur, ik heb krap dertig centimeter om er langs te lopen. Voor gezinnen met kinderen is er een hok van ongeveer anderhalve meter breed met een ministapelbed en een mini eenpersoonsbed. De badkamer inclusief wc is iets groter dan mijn toilet thuis. Waar liet ik onze spullen? Ik gebruik de kinderkamer als inloopkast.
“Zullen we een rondje lopen?” vraagt J.
“O.k. Neem jij je telefoon en portemonnee mee voor een cappuccino ofzo , dan laat ik ze hier.”
De camping blijkt redelijk vol voor de tijd van het jaar, er zijn behalve luxe huurcaravans ook toercaravans, campers en wat losse tenten. De winkel is geopend van half negen tot half tien; de kantine, taverne en receptie blijken na vijf uur dicht en nu gesloten. Het zwembad is hetzelfde als vierentwintig jaar geleden, net als het ‘Ed de Goeij veld’. Ook de golfclub op de heuvel en verderop het kerkje van Sippenaeken in België zijn identiek. J. loopt door en voelt of de omheining bij de koeien schrikdraad is. Ik ga in het droge gras liggen, het veert. Ik strijk mijn handen erlangs, de sprieten zijn zacht, niet scherp. Hoog boven me vliegt een vliegtuig aan de blauwe hemel, daaronder suizen twee buizerds en een paar kraaien krijsend om elkaar heen. Als ik mijn ogen dichtdoe hoor ik een heel orkest; ik weet niet of de andere vogels zwaluwen, sijsjes, kwikstaartjes of merels zijn. Weer terug bij de caravan vouw ik de fietskaart op de terrastafel uit. J. zet een kop koffie neer. “Maar goed dat ik geld bij me had, hè?”

De bestudeerde fietskaart laat geen ruimte voor twijfel over de Epenerbaan bovenaan de smalle weg naar de camping, hij loopt van Epen naar Vaals dwars door de Vijlenerbossen en is een onderdeel van de Amstel Gold Race. Voor wielerliefhebbers staat de beklimming vanuit Epen bij Camerig bekend als de zwaarste klim van Nederland. Wat mij betreft is het vanuit Vaals hetzelfde laken een pak met een nijdig stuk helling van twaalf procent.
Voor deze vakantie hebben we een paar dingen afgesproken: onze sportfietsen met drieëntwintig versnellingen gaan na een servicebeurt mee en als ik J. niet bijhoud is afstappen een optie. We hebben hier één keer eerder met een huurfiets met zeven versnellingen gefietst. J. presteerde het in spijkerbroek en mocassins net voorbij Camerig een verbijsterde wielrenner in te halen. Ik duwde lopend en sacherijnig mijn fiets omhoog. Toch wil ik het nu persé nog eens proberen, waarom weet ik niet.
Het moet toch kunnen? Fietsen we op de Veluwe niet regelmatig met eenzelfde snelheid tussen de veertig en vijftig kilometer afstand, vals plat of niet?
“Zullen we maar beginnen met heen en weer naar Vaals?” vraagt J. “Om er in te komen?”

Het dal is heel groen, nevelig maar niet koud, eerder vochtig warm. Nog geen kilometer van de camping piept mijn adem al, mijn hart bonkt richting mijn keel. Ik stap af en loop met flinke pas omhoog, ik blaas zo goed mogelijk helemaal uit. Waar ben ik aan begonnen? Op de Epenerbaan herhaalt het wisselend fietsen en lopen zich zeker vijf keer. Soms zie ik J. een tijdje niet, soms volg ik hem dichterbij in mijn eigen tempo totdat ik roep dat ik bij een volgende bocht weer zal stoppen en hij er “Nee, bij de tweede!” van maakt. Hij is personal trainer Radmillo niet! De man die op televisie mensen opjaagt totdat ze huilend neervallen. Ik stap prompt af. Mijn ademhaling klinkt luider dan de klimmende mannen op hun racefiets. Dan, ineens, verschijnt het verkeersbord met een helling van twaalf procent en vlieg ik met veertig kilometer naar beneden J. voorbij. We zijn sneller dan verwacht in Vaals waar ik aan een buschauffeur vraag hoever het naar Aken is.

Ik ben nooit zo weg van de pracht en praal in kathedralen; maar in de dom van Aken, belangrijk voor pelgrims op weg naar Santiago de Compostella, vallen direct de met mozaïek verfraaide gewelven me op. Miljoenen steentjes moeten het zijn. Vooral de patronen in afwisselend lapis lazuli en goud zou ik langer willen bekijken in een stille kerk wat op dit moment uitgesloten is. Zowel binnen als buiten de dom zijn enorm veel mensen op de been. We wandelen naar buiten en eten op een bankje in de zon een wrap met falafel, humus, mangochutney, augurk, tomaten, sla en rode kool. Waarom is dit thuis onvindbaar zonder vergrootglas? Ik heb hier trouwens geen vergrootglas nodig voor de bedelaars, in een uur tijd tel ik zeker tien mannen en vrouwen die om geld vragen. Mensen op dekens omringd door tassen, ze houden een kartonnen noodkreet omhoog; een op het oog Slavische vrouw, ineengedoken op straat, voor haar knieën staat een bekertje. Een man spreekt ons aan met de mededeling dat hij geen huis heeft. Misschien is dat echt waar, misschien belazert hij de boel en koopt hij drugs als hij wat krijgt. Waarom hij wel en de rest niet? Midden in zijn verhaal zeg ik harder dan ik wil “Nein.” en trek ik J. mee. De man grinnikt. Wat valt er te lachen?

De terugweg fietsen we beduidend sneller en constant, zelfs door de steile straten van Aken; waar nodig schakel ik soepel naar andere versnellingen tot aan de twaalf procent helling op de Epenerbaan al hoef ik hem niet helemáál te lopen. Erna volgen vooral dalingen. De wind verkoelt mijn lijf. Een Vlaamse gaai roept in de takken boven me, tussen varens schiet Ridderspoor omhoog.
Bij het trapje van de caravan schop ik mijn schoenen uit, ik spuit mijn bidon leeg over mijn hoofd en gooi boven het keukenblok nog meer water in mijn gezicht. Ik stop abrupt. Vanaf zijn vaste standplaats roept de overbuurman naar J.
“Dat was zeker eens maar nooit meer?”
“Hoezo?”
“Nou, je ziet ze wel eens met van die stadsfietsen komen, dan gaan ze één keer fietsen en verder staan ze ongebruikt achter de caravan.”
O, ja?? Moet jij eens opletten …
“Nee hoor,” zegt J. “we kennen de omgeving. We weten wat komt.”

Vijlen, 8 juni 2018 – Maassluis, 24 juni 2018

Wie zegt dat wij gelijk hebben?

De mens – bedroefde blinde
Die soms plotseling zien kan maar niet
Weet of dat wat hij ziet
Bestaat en tastbaar is te vinden –

De mens – wantrouwige dove
Die plotseling horen kan
Maar die niet weet of hij dan
Dat wat hij hoort moet geloven –

Probeert te leven
Betwijfelt iets
Maar beseft niet wat –

Is ongelukkig maar soms
even –
vergeet hij dat

-Ellen Warmond-

Vrijwel ieder mens stelt zichzelf op meerdere momenten in zijn leven vragen: waar kom ik vandaan? Waarheen ga ik? Wie ben ik? Wat is de zin van dit bestaan? Wekelijks spreek ik mensen bij wie die existentiële vragen nadrukkelijk aan de orde zijn. Hoe mensen in het leven staan hangt samen met hun geschiedenis en allerlei factoren. Was de omgeving waar iemand opgroeide liefdevol of allesbehalve dat? Waren er trauma’s? Wat is iemands culturele achtergrond? Had hij of zij een bijna dood ervaring? Zijn of waren er religieuze overtuigingen? Noemt iemand zich atheïst? Wat als een mens zijn geloof in God verliest?
Dit laatste is voor velen een verlies. Wellicht kan het boek van Klaas Hendrikse “Geloven in een God die niet bestaat. Manifest van een atheïstische dominee” dan helpend zijn.

Ik ben wat huiverig om dit boek te noemen ook al schreef ik 14 mei nog dat lezen me vooral geleerd heeft te schrijven zonder me op voorhand af te vragen of mensen het zullen afwijzen of niet. Afwijzing kan juist bij levensvragen een rol spelen. Wie kent niet de uitspraak dat je in gezelschap onderwerpen als geloof, politiek en geld beter achterwege kunt laten om verhitte discussies en ruzies te voorkomen?
Daarbij heb ik op deze plek slechts beperkte ruimte om het boek van Hendrikse aan te bevelen waar de titel vanzelfsprekend raakt aan bibliotheken vol studies en ontelbare ervaringen van ontelbare mensen.

Er is in de titel “Geloven in een God die niet bestaat. Manifest van een atheïstische dominee” direct een spanning tussen en om de woorden heen voelbaar. In mijn eigen beroep waar ik soms met beelden moet werken om iets uit te leggen zeg ik weleens: als ik het niet kan tekenen wordt het lastig. God is zo’n woord. Net als geloven, liefde en vertrouwen. Angst en verdriet. Ik kan gebruik maken van symbolen zoals een ‘hartje’ bij ‘liefde’ maar de ander moet wel de link kunnen maken tussen het verwijzende symbool en het bedoelde gevoel. Het gevoel zelf kan ik dus niet tekenen waarbij het evengoed een vraag is of het gevoel dat ik ervaar als liefde ook door de ander zo wordt gevoeld of ervaren. Toch is het meestal zo dat men niet snel zegt dat liefde niet bestaat omdat we het niet kunnen tekenen maar wel kunnen ervaren. Net zoals het woord vertrouwen. Ik versta vrij snel in het boek van Hendrikse dat het die kant op zou kunnen gaan. Hierop volgend de vraag wat zou dat dan betekenen in het dagelijks leven?

Wat heel goed op de loer zou kunnen liggen is dat Hendrikse vervalt in woordspelletjes. Maar we kunnen nu eenmaal niet zonder woorden. Velen van ons hebben behalve woorden ook beelden nodig om zich een voorstelling te kunnen maken. Net zoals bij de dominee thuis, kreeg ik in mijn eigen ouderlijk huis evenmin een kerkgang of een andere godsdienst mee. Ik ging naar de openbare school waar ik wel één keer in de week godsdienstles kreeg. Ouders konden hiertegen bezwaar maken, dan mocht een kind in een andere ruimte iets anders gaan doen. Mijn ouders maakten geen bezwaar. De godsdienstleraar vertelde over Abraham, Jakob en Mozes en over Jezus, hoe hij gekruisigd was en weer opgestaan. Hij zei ook dat we niet bang hoefde te zijn voor God en de spannende verhalen uit de bijbel. Hij trok de achterkant van zijn verkreukelde colbert om zijn hoofd en riep: “Je hoeft niet als zoveel mensen te denken: o, help, help, daar heb je God! God zal je geen kwaad doen.” Wie was God?
In diezelfde tijd, ik was een jaar of acht, negen, vertelde mijn juf over Indianen. Indianen hadden totempalen geloofden in een Grote Geest, zij aanbaden ook de zon, de maan en de aarde. Ze dansten om de totempaal. “Wíj weten nu wel beter”, zei de juf. Ik zag en hoorde haar lach en dacht: wie zegt dat wij gelijk hebben? Ik durfde het niet te vragen maar volgens mij werd toen al bij mij een zaadje geplant. Hoezo zijn veel gelovigen of ongelovigen overtuigd van hun eigen gelijk; hoezo willen sommigen van hen dat aan een ander opleggen? Of vinden weer anderen dat zij het recht hebben? Zet het journaal aan en we zien de uitwassen wereldwijd.

Juist het vragen mogen, kunnen en blijven stellen, vind ik belangrijk. Woorden luisteren nauw. Het is boeiend om te lezen hoe dominee Hendrikse als kind van een atheïstische dierenarts opgroeide midden in een christelijke gemeenschap, hoe hij atheïst bleef en toch dominee werd. Omdat hij in Nederland is geboren en niet in Thailand kwam het niet in hem op om bijvoorbeeld boeddhistisch monnik te worden. Hendrikse slaagt wat mij betreft in zijn boek er heel goed in uit te leggen hoe hij zijn prikkelende uitspraak in de titel bedoelt, tot waar hij met een ander door een deur kan gaan, wanneer tot net ervoor en waar wegen scheiden. Hij doet dit met respect en humor. Ik hoor althans humor als hij stelt dat God en wetenschap elkaar niet bijten: ze wonen in hetzelfde huis maar hebben wel een eigen kamer.

We hebben in ieder geval dit leven, ieder heeft zijn of haar weg te gaan, hoe dan ook. Dat lukt niet zonder anderen. Laten we met elkaar blijven praten, over hoe we kleinere en grotere gebeurtenissen in ons leven ervaren. Hoe we daarmee omgaan. In deze tijd waar kerkgang terugloopt is de belangstelling voor religie groter dan ooit. Ons woord ‘religie’ is afgeleid van het Latijnse religio. Dat betekent ‘verbinding’ en zegt dat de mate waarin je je verbindt met je omgeving, bepaalt in hoeverre je levenshouding religieus is. In dat kader denk ik aan de uitspraak van een jongeman, hij groeide op als atheïst en beschouwt zichzelf nog steeds zo. Hij liet me een gedicht lezen waarin het woord God veelvuldig werd genoemd. “Dit vind ik zo’n mooi gedicht,” zei hij. “Je moet alleen God even wegdenken…”. Het was de opmaat naar positieve gesprekken over zingeving. Dat vonden we allebei. Waarbij het er niet om ging of hij, of ik, of wie dan ook gelijk heeft.

Maassluis, 5 juni 2018

Was vroeger alles beter?

Het is vandaag precies veertig jaar geleden dat mijn geliefde en ik na een dag op het strand ‘verkering’ kregen. Die avond draaide ik om een bakelieten telefoon heen; met welk smoesje kon ik hem bellen zodat ik zijn stem weer kon horen. Vertelde hij niet dat zijn zus die dag zou bevallen? Een gepaste aanleiding: was het kindje al geboren? Was het een jongetje of een meisje? Vandaag de dag zouden we waarschijnlijk ik weet niet hoeveel WhatsAppjes naar elkaar sturen. Twee weken terug las ik dat volgens een onderzoek van het CBS 98,2 procent van de 18- tot 35-jarigen een smartphone of telefoon met internet heeft. Uit het onderzoek bleek meer dat mijn aandacht trok.

Maar laat ik eerst nog even teruggaan naar vroeger. Hoe vaak vertelde mijn grootmoeder dat alles ‘toen’ beter was; een tijd waarin paard en wagen nog door haar buurt reed; zij met een deel van haar zeventien broers en zussen op een zolder sliep en waar ze met strootjes speelde, want ja, daar kon zij zich mee vermaken. Ik durfde te betwijfelen of dat inderdaad wel zo leuk was. Diezelfde zolder was trouwens vergeven van de muizen.

Onze kinderen en kleinkinderen hebben zich evengoed afgevraagd of mijn geliefde en ik het wel leuk hadden toen wij jong waren. Was er echt alleen zwart-wit televisie met Nederland 1 als enige zender? Was het echt waar dat ik later met andere kinderen uit de straat bij een buurvrouw op woensdagmiddag naar kinderprogramma’s mocht kijken toen die mevrouw als eerste een kleurentelevisie kocht? Was er eerlijk waar geen Playstation? Wàt deden we dan heel de dag? De grotere en kleinere schermen hebben onmiskenbaar en m.i. onomkeerbaar hun intrede gedaan in ons leven. We kunnen van alles met onze mobiele telefoons doen. Hij lijkt bij velen vastgekleefd aan hun handen, sommigen staan er letterlijk mee op en gaan ermee naar bed … Wat interessant dan dat 82% van de door de CBS onderzochte groep zich weleens ergert aan vrienden of familie die vaak met hun smartphone bezig zijn. Zelf vind ik het bijzonder irritant als ik de ander gedurende een face to face gesprek met een schuin oog naar binnenkomende berichten of ander nieuws zie kijken. Die prikkel kan soms levensgevaarlijk groot zijn. Daarover vertelde een vrouw in een televisie-interview. Haar auto was aangereden door een WhatsAppende vrachtwagenchauffeur achter haar. Deed zij dat weleens? Ja. Zelfs na die aanrijding. “Het is een drang,” zei de vrouw, “ik wìl gewoon weten wat iemand te melden heeft. Het zijn sociale contacten.”

Ik ga niet schijnheilig doen. Ik ben verslaafd aan Wordfeud ofwel digitaal scrabbelen. Ik gebruik regelmatig mijn smartphone om notities te bewaren en foto’s te maken. Ik google dagelijks naar informatie waarvoor ik vroeger een papieren encyclopedie nodig had. Nieuwsgierige drang ken ik evengoed. Hoe dat bij mij werkt merkte ik tijdens een van mijn eerste mindfulness meditaties. Ik oefende om mijn aandacht bij mijn ademhaling te houden, wanneer ik was afgeleid ging ik zo goed mogelijk terug met mijn aandacht naar mijn ademhaling. Ik zat in een kamer aan de straatkant en werd afgeleid door pratende mensen buiten. Wie waren dat? Waar hadden ze het over? Ik voelde in mijn lijf een dwingende neiging op te staan en bij het raam te kijken. Achteraf was het een mooie oefening: die op dat moment voor-mij-vreselijke-belangrijke-informatie-over-wie-het-waren-en-waarover-ze-het-hadden aan me voorbij laten gaan. Terug naar mijn adem. Terug naar waarmee ik bezig was.

Een dag na het interview met die vrouw reed ik in de auto en moest ik invoegen op de snelweg. Er was veel vrachtverkeer. Via de speakers hoorde ik mijn telefoon. Snel drukte ik het knopje op mijn stuur in om het gesprek aan te nemen. Ik was tot dan toe van mening dat handsfree bellen net zo iets is als praten tegen een passagier in mijn auto. Ook dan moet ik weleens tijdens een gesprek zeggen: “Even wachten, even opletten …”. Zo riep ik tijdens dat binnenkomende telefoongesprek naar de speaker een momentje geduld te hebben. Tussen de vrachtwagens door schoof ik twee banen op. Het ging als vanzelf, het ging goed, niemand toeterde. En toch. Ik was me na het invoegen vrijwel direct bewust van het feit dat ik de telefoon automatisch aannam. Ik had hem ook kunnen laten gaan, ik was immers aan het invoegen.

Vroeger kon ik niet in de auto bellen. Was dat beter? Het betekent voor mij iets anders dan dat ik het nu nooit moet doen. Thuis op de bank naar mijn smartphone kijken is denk ik evenmin altijd onwenselijk. We kunnen ons wel afvragen wanneer wel of niet onze telefoon te gebruiken. Bijvoorbeeld als we met elkaar aan tafel zitten. Of als ik kook of een stuk ga fietsen. Is het strikt noodzakelijk om naar mijn scherm te loeren als ik met mijn kleinkinderen een uitstapje maak? Laat ik dan mijn telefoon thuis of doe ik hem in mijn tas met het geluid uit?

In de hal zoemt mijn iPhone. Lekker laten zoemen. Ik schrijf een blog.

 

Maassluis, 28 mei 2018

Lezen en schrijven

Mijn grootste doel: de lezers bereiken. Zonder hen besta ik niet, leven mijn verhalen minder.
– Renate Dorrestein –

Lezen en schrijven gaan hand in hand. Ik heb nog leren lezen met de leesplank: Aap, Noot, Mies, Wim, Zus, Jet, enzovoort … De lettergrepen van Wei-de en Scha-pen werden gescheiden door liggende streepjes en boven de zeventien woorden hoorden plaatjes. Aap droeg een rood jasje, Jet speelde met haar pop. Ik kreeg een doosje met losse letters bij de leesplank, ze moesten op dezelfde letters van de woorden neergelegd worden. Na een keer of vijf vond ik er niets meer aan. Ik keek liever naar buiten, naar de kat die omhoog klom in één van de kastanjes op het schoolplein of ik bemoeide me omgedraaid in mijn stoel met andere kinderen. Op mijn allereerste rapport kreeg ik een vijf voor lezen. De juf schreef in keurig schoonschrift: “Jammer, Angela kletst enorm. Ze is snel afgeleid”.

Heden ten dage denk ik dat ik me zat te vervelen. Ik kende toch allang de letters en de woorden? Het was zelfs zo dat ik na schooltijd stiekem éen van de boekjes over Ot en Sien uit de kast meenam omdat we daar nog niet waren en ik wilde weten hoe het verder ging.  Hoe oud was ik toen voor het eerst een stukje van mij in de schoolkrant verscheen? Mijn oma had een handje meegeholpen: het is lente/ de bloemen komen uit/ ik hoor een vogel die fluit/ je hoort hem wel maar ziet hem niet/ ik keek in alle hoeken/ik zocht totdat ik hem vond/maar toen zag ik een grote hond/en blaffen dat hij deed.

Ik ben altijd blijven lezen en heb altijd geschreven. Steeds met helpende handen in mijn omgeving, vooral de handen van veel auteurs. Of ze hun boeken nu schreven met een pen tussen de vingers, achter een tekstverwerker of beide. Want om verhalen te bedenken en ze op te kunnen schrijven is het belangrijk ernaast doorgaand te lezen. Niet alleen vanwege technieken: hoe doen die schrijvers dat? Hoe krijgen ze op een geloofwaardige manier een verhaal op papier? Hoe kun je van losse aantekeningen een groter geheel maken? Wil ik letterlijk of figuurlijk schrijven? Lezen heeft me vooral geleerd dat het juíst interessant kan zijn om dingen op te schrijven die ik niet snel hardop zeg of durf te zeggen in plaats van me zorgen te maken of andere mensen het zullen afwijzen of niet. Ik was verbijsterd toen ik voor het eerst een door mij nog onuitgesproken thema terugvond in een roman.

Een schrijfster die nergens voor terug leek te deinzen was Renate Dorrestein. Ze werd op Hemelvaartsdag 2018 begraven. Echt wat voor haar, schoot me te binnen; echt wat voor de vrouw die in haar laatste interview zei: “Natuurlijk lukt het mij om dood te gaan”. Wij lezers moeten het doen met haar erfenis. En wat voor een. Het ging Renate om de lezers en niet of ze wel literair genoeg was. Daar hou ik van. Van de meer dan dertig boeken van haar hand, las ik er zeker tien. Ik weet nog steeds waarover ze gingen, ik herinner me kleinere of grotere details. Een personage dat gek wordt van Vivaldi’s eeuwige ‘Vier Jaargetijden’ op de achtergrond bijvoorbeeld; een immens zware vrouw die haar wezen diep in zichzelf verborgen weet; een ouder die haar kinderen doodt. Renates eigen zoektocht langs artsen en alternatief genezers toen ze de ziekte ME kreeg; bijzondere namen van personages zoals Agrippina, Iola en Lupo, of Sterre toen die naam nog niet in de mode was.

Ik las in 1992 voor het eerst een boek van Renate Dorrestein en nu, ruim een kwart eeuw later, heb ik dus nog niet al haar titels gelezen maar “Weerwater” dat in 2015 uitkwam wel. In dit boek is de wereld vergaan op de stad Almere na. Renate speelt naast andere figuren zelf ook een rol in het geheel en met gemak laveert ze van het Maastrichtse Vrijthof richting haar onderkomen in Almere, de Fantasie. Vastberaden sleept ze me mee doorheen een stad met bewoners die proberen op te krabbelen na een Apocalyps. Renate doet dat zo overtuigend dat ze me nergens laat twijfelen of het wel klopt wat ze schrijft. Ik leef mee met de personages zonder dat ik direct een idee heb waar het allemaal naartoe leidt. Daarmee is het voor mij tot op het laatst een spannend boek met hier en daar verrassende wendingen.

Haar boeken liggen dichtbij Renate Dorrestein zelf. Ze sloot aan bij haar publiek. Daarover gaf ze in het hoofdstuk ‘Voor wie schrijf je?’ in “Het geheim van de schrijver. Voor iedereen die graag leest of schrijft” zelf aan: “Het is vooral de pro-Dorresteinlezer van wie ik het moet hebben, dat onbekende individu in wiens hoofd mijn verhaal zijn vervulling vindt, die vreemdeling ook, die mijn hypotheek betaalt. Zonder hem zouden, hoe je het ook wendt of keert, mijn werk en ik niet bestaan.” Renate was niet bang voor de dood. Ze geloofde in een leven in het hiernamaals. Iedereen van wie ze heeft gehouden en die ze al heel lang miste zou met uitgestrekte armen op haar te wachten. Ik hoop van harte dat haar door zelfdoding gestorven zusje waarover ze eveneens een boek schreef, vooraan stond.  Vanaf hier beneden roep ik haar nog na: “Vaarwel, Renate. Wat heb je ons veel gegeven … Je bent niet echt weg. Ik kan je nog steeds lezen, herlezen en nog eens herlezen …”.

Maassluis, 14 mei 2018

Schrijf de kanker van je af (2)

26 april j.l. schreef ik naar aanleiding van het artikel Schrijf de kanker van je af in dagblad Trouw over Daniëlle Steekelenburg-Boeters en haar boek “Tumor! Ik wil leven”.
Ik ben sinds 1998 rouwbegeleider en ben nog nooit iemand tegengekomen die hetzelfde rouwt, al zijn er natuurlijk wel overeenkomstige thema’s waar mensen na een verlies mee te maken hebben. Bonnie Groenewout begon net als Daniëlle kort nadat zij de diagnose kanker kreeg met schrijven. Zij deed dit door het publiceren van een blog.
Nu had ik 26 april al het idee om ook aandacht te besteden aan deze manier van schrijven over kanker, maar dacht al snel: hoe ga ik dat doen? Net zoals m.i. niemand op dezelfde wijze rouwt, heeft iedereen een eigen schrijfstijl. Aan de stijl kun je veelal de schrijver herkennen. Zo hóór ik bij wijze van spreken Bonnie vertellen als ik haar blogs lees. Ik herken, ik kan het niet anders noemen, haar uitbundigheid daarbij. Omdat Bonnie en ik elkaar sinds 2010 regelmatig tegenkomen, onder andere om ervaringen met betrekking tot het schrijven van proza uit te wisselen, dacht ik: weet je wat, laten we gezellig samen aan de keukentafel gaan zitten. Laten we erover praten. Bonnie vond het prima. De eerlijkheid gebiedt me te bekennen dat ik een geheime agenda had. Misschien kon ik tegelijk iets van haar leren met betrekking tot bloggen. Ik begin er immers net mee, zij is inmiddels doorgewinterd.Achteraf gezien is het een beetje uit de hand gelopen theekransje geworden. We hebben lang, veel en serieus gepraat, associatief vooral; Bonnie met haar laptop binnen bereik. Zelf had ik een notitieboekje bij de hand. Ik heb hierin nu 10 pagina’s met treffende uitspraken van Bonnie. Ernaast lees ik haar tips terug, waarom ze is gaan schrijven, wat de blogs haar hebben gebracht, waarmee ze is begonnen. Maar ook de vraag: wanneer eindig je met bloggen als het over kanker gaat?
Bonnie had voordat ze wist dat ze kanker had al Krablog aangemaakt. Ze leeft behalve met kanker eveneens met eczeem en astma. Zij wilde gaan bloggen over eczeem, over haar ervaringen tijdens een heel zware behandeling. Alleen werd ze moe, zo moe dat ze niet kon geloven dat dit door die behandeling kwam. Na bloed- en vervolgonderzoeken bleek dat zij endeldarmkanker had.
“Weet je,” zegt Bonnie, “ik dacht bij mezelf: in het logo van de van de kankerstichting zit ook een krab. Ik had toch nog niets over eczeem geschreven, ik kon het ook over kanker hebben. Ik vond het een mooie manier om iedereen te laten weten hoe het met me ging. In het begin schreef ik heel veel, toen een tijdje niets, totdat mensen gingen vragen om meer. Al was het voor sommigen confronterend, tegelijkertijd zeggen mensen dat ze er ook iets aan hebben. Het zet hen aan het denken… Maar ook heel vaak hoor ik: ‘sorry hoor, maar ik moet zò ontzettend lachen om wat jij schrijft’”. Bonnie benadrukt dat ze kanker niet wil bagatalliseren maar dat ze behalve ingrijpende gebeurtenissen ook veel grappige en absurde situaties meemaakt.
“Je moet het natuurlijk wel willen zien of misschien wel kunnen zien. Ik ga niet heel de dag denken: dat heb ik weer: kanker. Of: Waarom?! Dat heb ik me trouwens geen moment afgevraagd. Wat schiet ik daarmee op? Ik wil duidelijk maken dat je op een andere manier naar kanker kunt kijken. En trouwens, er gebeurt toch nog méér in mijn leven?” Bonnie vertelt dat het schrijven haar veel heeft gebracht. Om te beginnen is zij als zij iets schrijft het ‘kwijt’. Ze laat evengoed iets na; als ze er ooit niet meer is zijn haar blogs er nog wel. Ze is anders naar mensen gaan kijken en zoekt voor het eerst in ons gesprek naar woorden, het lijkt of ze eigenschappen van mensen versterkt is gaan waarnemen, dingen die ze altijd al bij mensen zag lijken nu scherper zichtbaar. Ze vervolgt: “Bloggen opent ook deuren. Mensen durven makkelijker met me over kanker te praten als ze mijn blogs lezen. Het geeft inzichten, niet alleen aan hen, ik krijg ze evengoed. Ik leef nu, ervaar steeds hoe het nù is. En als ik na zo’n lange tijd teruglees wat ik heb geschreven zie ik hoe ik zelf ben veranderd, hoe ik heb gerouwd. Hoe ik bepaalde dingen niet meer kon doen, zoals dansen; maar toch weer heb opgepakt, alleen aangepast. Met het schrijven parkeer ik niet alleen, het geeft me ook energie. Nu inmiddels mijn CEA waarde voor de tweede keer normaal is, wat betekent dat er geen actieve kankercellen in mijn lijf waarneembaar zijn, vraag ik me af of ik niet over andere dingen zal gaan bloggen. Daar ben ik nog niet helemaal uit …”
Ik vraag naar do’s en don’ts. Naar tips. Ineens roept Bonnie “We lijken Aagje Deken en Betje Wolff wel! Dan ben jij Aagje want jouw naam begint ook met een A en ik ben Betje. Zij waren net als wij heel verschillend …” In mijn hoofd verschijnt een plaatje van een geducht schrijversteam uit de achttiende eeuw. Bonnie giert uit en roept: “Jij wilde tips?” Ze pakt haar laptop en googelt op mijn naam. Ik zie beeldscherm breed een reclame van een gratis gemaakt gordijn: Angela Groen. Te koop in een bekende winkel. “Waahoeee, van Deken naar Gordijn. Zorg maar dat die niet bovenaan staat.” Ik lach mee. Het is net of ik in een Krablog ben beland.

Maassluis, 1 mei 2018