Aandachtiger (3)

Vorig jaar was het de warmste juni in ruim een eeuw, terwijl we plannen maakten wat we zouden gaan doen, kroop het kwik in het Geuldal vijf dagen achtereen tot bijna vijfendertig graden. Het familiehotel had geen zwembad en verkoeling onder de bomen van het langgerekte Vijlenerbos
bleek met gutsende lijven en zwermen vliegen geen pretje. Behalve een rondvaart op de Maas beperkten we ons tot terrasjes in Valkenburg en Maastricht met aansluitend het terras van het hotel waar we begonnen met water of alcoholvrij bier voordat we rosé bestelden.
Dat terras van het hotel was te verkiezen boven ons balkon met uitzicht op het dal, al was het uitzicht prachtig. De gasten uit de kamers naast ons zaten op nog geen meter afstand. Alleen de balkonreling diende als afscheiding, ik kon bijna de thermoskan van hun geblokte kleed over het tafeltje pakken. De thermoskan stond naast een vaas met bloemen. Toen ik naar een pluim rook vlakbij de brug van Moresnet in de verte wees en zei: “Hé J., wat brandt daar nou?” pakte de buurman zijn verrekijker.
Ik draaide mijn rotanstoel met mijn rug naar de buren. J. boog zich naar me toe. “Tamelijk sociaal tot de voordeur, An …” fluisterde hij.
Zelf niet meer geïnteresseerd in de rookpluim tuurde ik door mijn eigen verrekijker naar de camping waar we nu zitten. Hier is wel een zwembad. Juni 2018 is de derde zeer warme maand op een rij, met maar een paar kleine verstoringen.

Dit jaar is het beter te doen in het bos, we lopen eerst een bekende route met een steil startpunt waarbij ik altijd direct mijn been- en bilspieren voel. Toch lukt het me veel beter dan bij het klimmen per fiets mijn adem goed te gebruiken, in-in-uit-uit op de maat van de stappen. Onder de wisselende naald- en loofbomen groeien de adelaarsvarens boven mij en lage geraniumpjes uit. Een groot veld waar volgens mij ieder jaar Ridderspoor groeide blijkt ineens overwoekerd met brandnetels en nog meer bramen. Stond die bloeiende vlier er vorig jaar ook al? Je kunt van de bessen vlierbessensiroop maken als je tenminste het onderscheid tussen de Sambuscus nigra en de Sambucus racemosa weet. De laatste rodere soort groeit hier ook en is heel giftig. Allemaal geleerd van onze schoonzoon, een landschapsbeheerder. Hij zal vlakbij samen met onze dochter en de kleinkinderen in juli op een natuurcamping een tent neerzetten. We lopen het bos uit, het dal in om daar een kijkje te nemen en zetten erna via smalle weggetjes de pas erin naar het kerkje van Sippenaeken. Het ligt boven het Geuldal in België en is open. Binnen ruikt het naar oud hout, op een prikbord hangen vele bidprentjes, de overledenen zijn vast begraven op het kerkhofje naast de kerk.
Vlak achter het hek van het kerkhof is een graf scheef gezakt, een man en vrouw rusten er sinds 1965 nadat hij drie dagen na haar is overleden.
We maken een foto om er later achter te komen dat we dat al eerder deden. In onze fotoboeken is eveneens te zien hoe een kwart eeuw geleden de kanten langs de snelstromende Geul op sommige stukken nog vrijwel onbegroeid was, hoe je vanaf de kant het water in kon stappen om steentjes op te rapen. De kinderen gooiden ze vanaf een bruggetje in het water. We maakten foto’s hoe we picknickten, met opkomende maisvelden, blauwe hemels en grote weiden op de achtergrond. Op één foto renden we met onze armen weid uit elkaar een helling af, zoals de familie von Trapp in de film The Sound of Music.
Ik denk niet dat mijn schoonzoon hetzelfde zal doen. Wel wandelen onze kleinkinderen hier binnenkort ook.

Uitgerekend de buurman uit de caravan tegenover ons, die van “Dat was zeker eens maar nooit meer?” tipte ons drie dagen voor vertrek over de Vennbahn Radweg, een fietsroute van Aken naar Luxemburg, totaal honderdvijfentwintig kilometer. Ik mocht dan ‘O jaaa, moet jij eens opletten’ denken bij zijn opmerking, ik had andere afstanden in gedachten.
Op aanwijzingen van de campingreceptioniste zoeken we in het centrum van Aken naar de plaatselijke toeristeninformatie. Ze heeft weliswaar de van dag tot dag route voor ons uitgeprint, het is onduidelijk waar precies in Aken de route begint of beter gezegd waar in Aken het startpunt station Aachen-Rothe Erde is. Wanneer op een bepaalde plek de fietspaden ophouden en we niet weten of we er mogen fietsen helpt ongevraagd een Duitser ons verder omdat hij ons zo ziet kijken. En eindelijk bij de toeristeninformatie worden we even vriendelijk geholpen. Hoewel volgens ons de fietskaart negen euro kost, krijgen we hem gratis mee.
Wat mij persoonlijk bijzonder aanspreekt is dat het fietspad is aangelegd op een oud spoorwegtracé en dat de route eenvoudig wordt genoemd, geleidelijk verlopend op het grondgebied van Duitsland, België en Luxemburg. Deze vakantie proberen we alleen de helft van de eerste etappe uit.
Al snel blijkt het verschil tussen eenvoudig en de nijdige hellingen op de Epenerbaan, bij nader inzien is het eerste deel van dit parcours ronduit saai. De eerste tien kilometer rijden we door iets dat meer op een park lijkt dan op een bos, onderbroken door woonwijken en de stank van een composteer- en vergistingsinstallatie. De enkele klaproos en in het wild groeiende puntwederik veranderen hier niets aan.
Het is redelijk rustig, we maken flink tempo omdat het pad verder verkeersvrij is. Er is bewegwijzering naar beide kanten, alleen missen we de beloofde infopanelen met interessante achtergrondinformatie. Waarschijnlijk zijn ze verderop te vinden, langs de Hoge Venen, de heide en bossen, het stuk van de Ourvallei naar Troisvièrges in Luxemburg. We zien wel wat oude stations en treinen.
Na een broodje vinden we het welletjes. De terugweg gaat veel sneller, hebben we heen op een ellenlang vals plat gereden? Dan ineens hoor ik een doffe plof. Ik heb toch niet weer een lekke band? Terwijl J. in eerste instantie niets in de gaten heeft en doorfietst, zie ik zo’n vijfentwintig meter achter me mijn rugzak op de weg liggen. Hij is onder de snelbinders vandaan geglipt. Een wandelende Duitse man en vrouw roepen. Als de vrouw me tegemoet loopt en een gezellig gesprek begint dat ik moeilijk versta, weet ik niet anders te bedenken dan “Danke, danke”.
“Ze is zeker aardig vanwege de oorlog.” zegt J. even later.
Ik denk aan de man in Aken die ons ongevraagd hielp. Aan de medewerkster van de toeristeninformatie. Het moet een keer afgelopen zijn maar sommige oude grappen zijn hardnekkig: “Ze trok niet eens aan mijn stuur. Ze probeerde niet eens zoals bij grootmoeder, m’n fiets te vorderen.”

Terug bij de caravan begint het zachtjes te regenen, tegelijkertijd schijnt de zon. Ik schuif alle gordijnen open, het is heel licht binnen. Op het dak tikken de druppels. De toppen van de bomen aan de overkant kleuren bruin oranje door de zon, daarboven verschijnt een regenboog.
J. neemt een slok van zijn bier. “Net de luifel van een tent, zo. Volgend jaar weer?”

 

Vaals, 16 juni 2018 – Maassluis, 16 juli 2018.

Aandachtiger (2)

Onze fietsen staan achter de caravan. Mijn achterband is niet een beetje lek, hij is hartstikke lek. Direct onder het ventiel zit een scheur en de rijwielhandel in Vaals is pas over drie dagen open.
“Zullen we naar het American Cemetery in Margraten gaan?” vraagt J.
Ik aarzel. Het is bijna een kwart eeuw geleden dat we de kinderen meenamen naar de Amerikaanse militaire begraafplaats en het monument ter nagedachtenis aan soldaten van de Verenigde Staten die in de Tweede Wereldoorlog stierven, onder andere tijdens de strijd in Zuid-Limburg en het Ardennenoffensief.
Ik vind niet dat ‘het gezanik over die oorlog nu maar eens afgelopen moet zijn’ zoals vader rond vier mei meestal riep. Was het te pijnlijk? Hij groeide op in Crooswijk, een volksbuurt naast het platgebombardeerde centrum van Rotterdam. Een deel van de slachtoffers werd in een massagraf begraven op begraafplaats Crooswijk. En in de hongerwinter zocht hij met zijn zusje naar hout of kolen langs de spoorlijn, hij was zes jaar.
Moeders kinderjaren tijdens de oorlog zijn gehuld in half uitgesproken geheimen, waarbij de terugkeer van mijn gevluchte en ondergedoken grootvader aan het eind van de oorlog en de directe verbanning van mijn grootmoeder uit het gezin, centraal staan. Hierover gaan meerdere verhalen de ronde, nog steeds komen mij via via details ter ore. Wat is waar? In ieder geval hebben de vele versies één ding gemeen: ze hebben moeder getekend.
Veel ouderen kunnen zich helemaal niet vinden in vaders uitroep, andere ouderen misschien wel. Ook jongere generaties doen soms opmerkelijke uitspraken. Zo las ik ooit een boekbespreking van een dertiger over het boek van een even oude Joodse schrijfster. Waarom, vroeg de dertiger zich af, moeten Joden het altijd over Jodendom en de Holocaust hebben? Hij had dat nooit begrepen, het riep vooral irritatie op.
Lees de boeken van haar vader of grootvader eens, dacht ik. Haar vader was bekend journalist, interviewer, televisiepresentator en toneelschrijver; hij groeide op in een door oorlogservaringen getraumatiseerd en geneurotiseerd gezin. Op zijn achttiende werd hij ‘uit huis gezet’ zoals zijn ouders eveneens het contact verbraken met hun dochter en jongste zoon.
De oorlog had en heeft op miljoenen mensen impact, op mensen uit àlle betrokken landen; vijandig of niet.
“Hoe laat wil je gaan?” zeg ik tegen J.

We rijden zonder woorden door het Zuid Limburgse landschap, nergens kom ik zo tot rust als hier. Ik hoef alleen maar te kijken naar het zacht glooiende landschap. Tot ik twee jaar terug het boek ‘Het Geluk van Limburg’ van Marcia Luyten las wist ik weinig van wat jaren zowel boven als onder de grond in de mijnen gebeurde. Als de Limburgse Luyten het niet eens wist, hoe had ik dan van de vele onvoorstelbare en ronduit schandalige gebeurtenissen kunnen weten? Heel veel is doelbewust weggeveegd en weggestopt, decennia lang.
Wat ervan te denken dat daden van verzet in Limburg tijdens de Tweede Wereldoorlog nergens terug te vinden zijn in de werken van Lou de Jong? Wat ervan te denken dat naast de mijnwerkers landverraders en misdadigers te werk werden gesteld. Het misprijzen van de buitenwacht over de mijnwerkers. Ik las ontroerd hoe Limburgia in 1950 landskampioen werd door te winnen van Ajax terwijl ik niet eens van voetbal houd.

In het Crooswijk waar mijn vader opgroeide is vandaag de dag op een huizenblok een uitspraak geschilderd: Je krijgt nooit een betere toekomst als je aan gisteren blijft denken.
Veel deelnemers van mindfulness trainingen die ik geef piekeren over verleden en toekomst. We oefenen op een bepaalde manier aandachtig te zijn, gericht op het hier en nu. Dan rijst wel eens de vraag of denken aan vroeger of later ‘dan niet meer mag’. Natuurlijk wel, onze gedachten komen en gaan. Zoals filosoof Kierkegaard daarbij al aangaf: het leven wordt achterwaarts begrepen en voorwaarts geleefd. We kunnen leren van ons verleden en in het ogenblik komen verleden en toekomst bij elkaar.

Vanaf de parkeerplaats lopen we langs strakke gazons, geen sprietje staat verkeerd. Tegenover het bezoekerscentrum zijn grote wanden met drie kaarten, ze tonen onder andere de luchtlandigsoperatie bij Market Garden, het oversteken van de Roer en militaire acties vanaf de landingen in Normandie tot het einde van de oorlog in Europa. We lopen over het Ereplein naar de spiegelvijver, in de muren om het plein heen zijn de namen van 1722 vermisten gebeiteld. Achter het standbeeld van de rouwende moeder staat een toren met kapel.
Net als jaren geleden toen we hier met de kinderen waren overvalt het beeld van de 8301 graven me. Ze hebben witte marmeren kruisen en davidsterren en staan in parallel lopende bogen die zich uitstrekken langs brede gazons.
Is het de hoeveelheid graven die de brok in mijn keel veroorzaken? Zoveel mensen gaven hun leven om ons te bevrijden. Zoals de officieren en soldaten hier liggen, door elkaar; vrijwel alle kruisen en davidsterren zijn hetzelfde. Iedereen is in de dood gelijk. We wandelen over de promenade, lezen onderweg namen. Zonen, broers, vaders of dochters en zussen. Aan het eind van de promenade gaan we op een trap zitten. Wat zou er gebeurd zijn als de geallieerden niet waren gekomen?
Ineens kan ik de brok in mijn keel en tranen niet mee bedwingen.
“Twijfelde je daarom?” vraagt J. als hij ziet dat ik huil.
Ik haal mijn schouders op. Het is te groot. Niet te bevatten.

 

Vijlen 10 juni 2018 – Maassluis 3 juli 2018

Aandachtiger (1)

 

Bewust proberen te mediteren is geen meditatie. Het moet gebeuren, het kan niet worden opgeroepen. Elke poging te mediteren is juist een ontkenning ervan. Wees je alleen maar bewust van wat je denkt en doet, en niets anders.
-Jiddu Krishnamurti-

We gaan jaarlijks in juni en september op vakantie waarbij ik in juni kies waarheen we gaan. Geliefde J. doet dat in september. Dit jaar is een compromis omdat ik van te voren wist dat kamperen voor J. uitgesloten is. Zelf stond ik als meisje regelmatig in onze gangkast de geur van de tent op te snuiven, zo graag wilde ik ermee weg, terug naar warme landen waar ik heel de dag buiten kon zijn. J. kon zich daar niets bij voorstellen totdat hij na de zoveelste woordenwisseling hierover één nacht in een tent van zijn broer sliep. Onze drie kinderen waren nog klein, het was in het voorseizoen op een verder leeg veld in de Biesbosch vlakbij het sanitaire gebouw. Het begon te plenzen. Het bleef plenzen.
’s Avonds naderden langzaam twee koplampen, mijn zwager bracht pils en saté omdat het weer zo tegen zat. J. nam een slok en keek quasi peinzend het donkere watergordijn in.
“Wat denk je, An? Zijn materie en geest gescheiden?” Dat we de slappe lach kregen mocht niet baten. Voortaan was een luxe stacaravan het hoogst haalbare op kampeergebied. We hebben het welgeteld drie keer gedaan.

Vele vakantiehuisjes, appartementen en hotels verder, heb ik vanaf vorig jaar juni mijn been stijf gehouden. We zaten in een familiehotel in het Geuldal in Epen ofwel Ieëpen. Ik tuurde met de verrekijker naar een camping aan de andere kant van het dal.
“Weet je nog dat we daar een stacaravan huurden? In 1994? Weet je nog dat een boer in verband met de wereldkampioenschappen voetbal een televisie op zijn erf had gezet?”
J. knikte. “Ja, de meisjes en ik speelden keeper Ed de Goeij na op het sportveld, Ed-de-Goeijen noemden ze dat. Die kleine rende kris kras over het veld met zijn korte beentjes. Hij vond alles mooi, vooral de zwaluwen.”
In mijn hoofd verschijnt een beeld uit een fotoalbum: J. en onze jongste kijken omhoog naar een nest onder een dakgoot. De blonde haren van mijn zoon nog nat van het peuterzwembad, het badlaken om zijn schouders hangt half op de grond. J.’s hand rust op zijn rug.
“Verrassing!”zei ik. “De wereldkampioenschappen 2018 kijk je ook weer in een caravan… Dáar!”

Eerlijk is eerlijk. Hebben we echt met zijn vijven in dit soort caravans geslapen? Het zitgedeelte met een televisie uit de vorige eeuw is voor J. en mezelf groot genoeg; in de ouderslaapkamer staat een bed van één meter veertig tegen een muur, ik heb krap dertig centimeter om er langs te lopen. Voor gezinnen met kinderen is er een hok van ongeveer anderhalve meter breed met een ministapelbed en een mini eenpersoonsbed. De badkamer inclusief wc is iets groter dan mijn toilet thuis. Waar liet ik onze spullen? Ik gebruik de kinderkamer als inloopkast.
“Zullen we een rondje lopen?” vraagt J.
“O.k. Neem jij je telefoon en portemonnee mee voor een cappuccino ofzo , dan laat ik ze hier.”
De camping blijkt redelijk vol voor de tijd van het jaar, er zijn behalve luxe huurcaravans ook toercaravans, campers en wat losse tenten. De winkel is geopend van half negen tot half tien; de kantine, taverne en receptie blijken na vijf uur dicht en nu gesloten. Het zwembad is hetzelfde als vierentwintig jaar geleden, net als het ‘Ed de Goeij veld’. Ook de golfclub op de heuvel en verderop het kerkje van Sippenaeken in België zijn identiek. J. loopt door en voelt of de omheining bij de koeien schrikdraad is. Ik ga in het droge gras liggen, het veert. Ik strijk mijn handen erlangs, de sprieten zijn zacht, niet scherp. Hoog boven me vliegt een vliegtuig aan de blauwe hemel, daaronder suizen twee buizerds en een paar kraaien krijsend om elkaar heen. Als ik mijn ogen dichtdoe hoor ik een heel orkest; ik weet niet of de andere vogels zwaluwen, sijsjes, kwikstaartjes of merels zijn. Weer terug bij de caravan vouw ik de fietskaart op de terrastafel uit. J. zet een kop koffie neer. “Maar goed dat ik geld bij me had, hè?”

De bestudeerde fietskaart laat geen ruimte voor twijfel over de Epenerbaan bovenaan de smalle weg naar de camping, hij loopt van Epen naar Vaals dwars door de Vijlenerbossen en is een onderdeel van de Amstel Gold Race. Voor wielerliefhebbers staat de beklimming vanuit Epen bij Camerig bekend als de zwaarste klim van Nederland. Wat mij betreft is het vanuit Vaals hetzelfde laken een pak met een nijdig stuk helling van twaalf procent.
Voor deze vakantie hebben we een paar dingen afgesproken: onze sportfietsen met drieëntwintig versnellingen gaan na een servicebeurt mee en als ik J. niet bijhoud is afstappen een optie. We hebben hier één keer eerder met een huurfiets met zeven versnellingen gefietst. J. presteerde het in spijkerbroek en mocassins net voorbij Camerig een verbijsterde wielrenner in te halen. Ik duwde lopend en sacherijnig mijn fiets omhoog. Toch wil ik het nu persé nog eens proberen, waarom weet ik niet.
Het moet toch kunnen? Fietsen we op de Veluwe niet regelmatig met eenzelfde snelheid tussen de veertig en vijftig kilometer afstand, vals plat of niet?
“Zullen we maar beginnen met heen en weer naar Vaals?” vraagt J. “Om er in te komen?”

Het dal is heel groen, nevelig maar niet koud, eerder vochtig warm. Nog geen kilometer van de camping piept mijn adem al, mijn hart bonkt richting mijn keel. Ik stap af en loop met flinke pas omhoog, ik blaas zo goed mogelijk helemaal uit. Waar ben ik aan begonnen? Op de Epenerbaan herhaalt het wisselend fietsen en lopen zich zeker vijf keer. Soms zie ik J. een tijdje niet, soms volg ik hem dichterbij in mijn eigen tempo totdat ik roep dat ik bij een volgende bocht weer zal stoppen en hij er “Nee, bij de tweede!” van maakt. Hij is personal trainer Radmillo niet! De man die op televisie mensen opjaagt totdat ze huilend neervallen. Ik stap prompt af. Mijn ademhaling klinkt luider dan de klimmende mannen op hun racefiets. Dan, ineens, verschijnt het verkeersbord met een helling van twaalf procent en vlieg ik met veertig kilometer naar beneden J. voorbij. We zijn sneller dan verwacht in Vaals waar ik aan een buschauffeur vraag hoever het naar Aken is.

Ik ben nooit zo weg van de pracht en praal in kathedralen; maar in de dom van Aken, belangrijk voor pelgrims op weg naar Santiago de Compostella, vallen direct de met mozaïek verfraaide gewelven me op. Miljoenen steentjes moeten het zijn. Vooral de patronen in afwisselend lapis lazuli en goud zou ik langer willen bekijken in een stille kerk wat op dit moment uitgesloten is. Zowel binnen als buiten de dom zijn enorm veel mensen op de been. We wandelen naar buiten en eten op een bankje in de zon een wrap met falafel, humus, mangochutney, augurk, tomaten, sla en rode kool. Waarom is dit thuis onvindbaar zonder vergrootglas? Ik heb hier trouwens geen vergrootglas nodig voor de bedelaars, in een uur tijd tel ik zeker tien mannen en vrouwen die om geld vragen. Mensen op dekens omringd door tassen, ze houden een kartonnen noodkreet omhoog; een op het oog Slavische vrouw, ineengedoken op straat, voor haar knieën staat een bekertje. Een man spreekt ons aan met de mededeling dat hij geen huis heeft. Misschien is dat echt waar, misschien belazert hij de boel en koopt hij drugs als hij wat krijgt. Waarom hij wel en de rest niet? Midden in zijn verhaal zeg ik harder dan ik wil “Nein.” en trek ik J. mee. De man grinnikt. Wat valt er te lachen?

De terugweg fietsen we beduidend sneller en constant, zelfs door de steile straten van Aken; waar nodig schakel ik soepel naar andere versnellingen tot aan de twaalf procent helling op de Epenerbaan al hoef ik hem niet helemáál te lopen. Erna volgen vooral dalingen. De wind verkoelt mijn lijf. Een Vlaamse gaai roept in de takken boven me, tussen varens schiet Ridderspoor omhoog.
Bij het trapje van de caravan schop ik mijn schoenen uit, ik spuit mijn bidon leeg over mijn hoofd en gooi boven het keukenblok nog meer water in mijn gezicht. Ik stop abrupt. Vanaf zijn vaste standplaats roept de overbuurman naar J.
“Dat was zeker eens maar nooit meer?”
“Hoezo?”
“Nou, je ziet ze wel eens met van die stadsfietsen komen, dan gaan ze één keer fietsen en verder staan ze ongebruikt achter de caravan.”
O, ja?? Moet jij eens opletten …
“Nee hoor,” zegt J. “we kennen de omgeving. We weten wat komt.”

Vijlen, 8 juni 2018 – Maassluis, 24 juni 2018

Wie zegt dat wij gelijk hebben?

De mens – bedroefde blinde
Die soms plotseling zien kan maar niet
Weet of dat wat hij ziet
Bestaat en tastbaar is te vinden –

De mens – wantrouwige dove
Die plotseling horen kan
Maar die niet weet of hij dan
Dat wat hij hoort moet geloven –

Probeert te leven
Betwijfelt iets
Maar beseft niet wat –

Is ongelukkig maar soms
even –
vergeet hij dat

-Ellen Warmond-

Vrijwel ieder mens stelt zichzelf op meerdere momenten in zijn leven vragen: waar kom ik vandaan? Waarheen ga ik? Wie ben ik? Wat is de zin van dit bestaan? Wekelijks spreek ik mensen bij wie die existentiële vragen nadrukkelijk aan de orde zijn. Hoe mensen in het leven staan hangt samen met hun geschiedenis en allerlei factoren. Was de omgeving waar iemand opgroeide liefdevol of allesbehalve dat? Waren er trauma’s? Wat is iemands culturele achtergrond? Had hij of zij een bijna dood ervaring? Zijn of waren er religieuze overtuigingen? Noemt iemand zich atheïst? Wat als een mens zijn geloof in God verliest?
Dit laatste is voor velen een verlies. Wellicht kan het boek van Klaas Hendrikse “Geloven in een God die niet bestaat. Manifest van een atheïstische dominee” dan helpend zijn.

Ik ben wat huiverig om dit boek te noemen ook al schreef ik 14 mei nog dat lezen me vooral geleerd heeft te schrijven zonder me op voorhand af te vragen of mensen het zullen afwijzen of niet. Afwijzing kan juist bij levensvragen een rol spelen. Wie kent niet de uitspraak dat je in gezelschap onderwerpen als geloof, politiek en geld beter achterwege kunt laten om verhitte discussies en ruzies te voorkomen?
Daarbij heb ik op deze plek slechts beperkte ruimte om het boek van Hendrikse aan te bevelen waar de titel vanzelfsprekend raakt aan bibliotheken vol studies en ontelbare ervaringen van ontelbare mensen.

Er is in de titel “Geloven in een God die niet bestaat. Manifest van een atheïstische dominee” direct een spanning tussen en om de woorden heen voelbaar. In mijn eigen beroep waar ik soms met beelden moet werken om iets uit te leggen zeg ik weleens: als ik het niet kan tekenen wordt het lastig. God is zo’n woord. Net als geloven, liefde en vertrouwen. Angst en verdriet. Ik kan gebruik maken van symbolen zoals een ‘hartje’ bij ‘liefde’ maar de ander moet wel de link kunnen maken tussen het verwijzende symbool en het bedoelde gevoel. Het gevoel zelf kan ik dus niet tekenen waarbij het evengoed een vraag is of het gevoel dat ik ervaar als liefde ook door de ander zo wordt gevoeld of ervaren. Toch is het meestal zo dat men niet snel zegt dat liefde niet bestaat omdat we het niet kunnen tekenen maar wel kunnen ervaren. Net zoals het woord vertrouwen. Ik versta vrij snel in het boek van Hendrikse dat het die kant op zou kunnen gaan. Hierop volgend de vraag wat zou dat dan betekenen in het dagelijks leven?

Wat heel goed op de loer zou kunnen liggen is dat Hendrikse vervalt in woordspelletjes. Maar we kunnen nu eenmaal niet zonder woorden. Velen van ons hebben behalve woorden ook beelden nodig om zich een voorstelling te kunnen maken. Net zoals bij de dominee thuis, kreeg ik in mijn eigen ouderlijk huis evenmin een kerkgang of een andere godsdienst mee. Ik ging naar de openbare school waar ik wel één keer in de week godsdienstles kreeg. Ouders konden hiertegen bezwaar maken, dan mocht een kind in een andere ruimte iets anders gaan doen. Mijn ouders maakten geen bezwaar. De godsdienstleraar vertelde over Abraham, Jakob en Mozes en over Jezus, hoe hij gekruisigd was en weer opgestaan. Hij zei ook dat we niet bang hoefde te zijn voor God en de spannende verhalen uit de bijbel. Hij trok de achterkant van zijn verkreukelde colbert om zijn hoofd en riep: “Je hoeft niet als zoveel mensen te denken: o, help, help, daar heb je God! God zal je geen kwaad doen.” Wie was God?
In diezelfde tijd, ik was een jaar of acht, negen, vertelde mijn juf over Indianen. Indianen hadden totempalen geloofden in een Grote Geest, zij aanbaden ook de zon, de maan en de aarde. Ze dansten om de totempaal. “Wíj weten nu wel beter”, zei de juf. Ik zag en hoorde haar lach en dacht: wie zegt dat wij gelijk hebben? Ik durfde het niet te vragen maar volgens mij werd toen al bij mij een zaadje geplant. Hoezo zijn veel gelovigen of ongelovigen overtuigd van hun eigen gelijk; hoezo willen sommigen van hen dat aan een ander opleggen? Of vinden weer anderen dat zij het recht hebben? Zet het journaal aan en we zien de uitwassen wereldwijd.

Juist het vragen mogen, kunnen en blijven stellen, vind ik belangrijk. Woorden luisteren nauw. Het is boeiend om te lezen hoe dominee Hendrikse als kind van een atheïstische dierenarts opgroeide midden in een christelijke gemeenschap, hoe hij atheïst bleef en toch dominee werd. Omdat hij in Nederland is geboren en niet in Thailand kwam het niet in hem op om bijvoorbeeld boeddhistisch monnik te worden. Hendrikse slaagt wat mij betreft in zijn boek er heel goed in uit te leggen hoe hij zijn prikkelende uitspraak in de titel bedoelt, tot waar hij met een ander door een deur kan gaan, wanneer tot net ervoor en waar wegen scheiden. Hij doet dit met respect en humor. Ik hoor althans humor als hij stelt dat God en wetenschap elkaar niet bijten: ze wonen in hetzelfde huis maar hebben wel een eigen kamer.

We hebben in ieder geval dit leven, ieder heeft zijn of haar weg te gaan, hoe dan ook. Dat lukt niet zonder anderen. Laten we met elkaar blijven praten, over hoe we kleinere en grotere gebeurtenissen in ons leven ervaren. Hoe we daarmee omgaan. In deze tijd waar kerkgang terugloopt is de belangstelling voor religie groter dan ooit. Ons woord ‘religie’ is afgeleid van het Latijnse religio. Dat betekent ‘verbinding’ en zegt dat de mate waarin je je verbindt met je omgeving, bepaalt in hoeverre je levenshouding religieus is. In dat kader denk ik aan de uitspraak van een jongeman, hij groeide op als atheïst en beschouwt zichzelf nog steeds zo. Hij liet me een gedicht lezen waarin het woord God veelvuldig werd genoemd. “Dit vind ik zo’n mooi gedicht,” zei hij. “Je moet alleen God even wegdenken…”. Het was de opmaat naar positieve gesprekken over zingeving. Dat vonden we allebei. Waarbij het er niet om ging of hij, of ik, of wie dan ook gelijk heeft.

Maassluis, 5 juni 2018

Was vroeger alles beter?

Het is vandaag precies veertig jaar geleden dat mijn geliefde en ik na een dag op het strand ‘verkering’ kregen. Die avond draaide ik om een bakelieten telefoon heen; met welk smoesje kon ik hem bellen zodat ik zijn stem weer kon horen. Vertelde hij niet dat zijn zus die dag zou bevallen? Een gepaste aanleiding: was het kindje al geboren? Was het een jongetje of een meisje? Vandaag de dag zouden we waarschijnlijk ik weet niet hoeveel WhatsAppjes naar elkaar sturen. Twee weken terug las ik dat volgens een onderzoek van het CBS 98,2 procent van de 18- tot 35-jarigen een smartphone of telefoon met internet heeft. Uit het onderzoek bleek meer dat mijn aandacht trok.

Maar laat ik eerst nog even teruggaan naar vroeger. Hoe vaak vertelde mijn grootmoeder dat alles ‘toen’ beter was; een tijd waarin paard en wagen nog door haar buurt reed; zij met een deel van haar zeventien broers en zussen op een zolder sliep en waar ze met strootjes speelde, want ja, daar kon zij zich mee vermaken. Ik durfde te betwijfelen of dat inderdaad wel zo leuk was. Diezelfde zolder was trouwens vergeven van de muizen.

Onze kinderen en kleinkinderen hebben zich evengoed afgevraagd of mijn geliefde en ik het wel leuk hadden toen wij jong waren. Was er echt alleen zwart-wit televisie met Nederland 1 als enige zender? Was het echt waar dat ik later met andere kinderen uit de straat bij een buurvrouw op woensdagmiddag naar kinderprogramma’s mocht kijken toen die mevrouw als eerste een kleurentelevisie kocht? Was er eerlijk waar geen Playstation? Wàt deden we dan heel de dag? De grotere en kleinere schermen hebben onmiskenbaar en m.i. onomkeerbaar hun intrede gedaan in ons leven. We kunnen van alles met onze mobiele telefoons doen. Hij lijkt bij velen vastgekleefd aan hun handen, sommigen staan er letterlijk mee op en gaan ermee naar bed … Wat interessant dan dat 82% van de door de CBS onderzochte groep zich weleens ergert aan vrienden of familie die vaak met hun smartphone bezig zijn. Zelf vind ik het bijzonder irritant als ik de ander gedurende een face to face gesprek met een schuin oog naar binnenkomende berichten of ander nieuws zie kijken. Die prikkel kan soms levensgevaarlijk groot zijn. Daarover vertelde een vrouw in een televisie-interview. Haar auto was aangereden door een WhatsAppende vrachtwagenchauffeur achter haar. Deed zij dat weleens? Ja. Zelfs na die aanrijding. “Het is een drang,” zei de vrouw, “ik wìl gewoon weten wat iemand te melden heeft. Het zijn sociale contacten.”

Ik ga niet schijnheilig doen. Ik ben verslaafd aan Wordfeud ofwel digitaal scrabbelen. Ik gebruik regelmatig mijn smartphone om notities te bewaren en foto’s te maken. Ik google dagelijks naar informatie waarvoor ik vroeger een papieren encyclopedie nodig had. Nieuwsgierige drang ken ik evengoed. Hoe dat bij mij werkt merkte ik tijdens een van mijn eerste mindfulness meditaties. Ik oefende om mijn aandacht bij mijn ademhaling te houden, wanneer ik was afgeleid ging ik zo goed mogelijk terug met mijn aandacht naar mijn ademhaling. Ik zat in een kamer aan de straatkant en werd afgeleid door pratende mensen buiten. Wie waren dat? Waar hadden ze het over? Ik voelde in mijn lijf een dwingende neiging op te staan en bij het raam te kijken. Achteraf was het een mooie oefening: die op dat moment voor-mij-vreselijke-belangrijke-informatie-over-wie-het-waren-en-waarover-ze-het-hadden aan me voorbij laten gaan. Terug naar mijn adem. Terug naar waarmee ik bezig was.

Een dag na het interview met die vrouw reed ik in de auto en moest ik invoegen op de snelweg. Er was veel vrachtverkeer. Via de speakers hoorde ik mijn telefoon. Snel drukte ik het knopje op mijn stuur in om het gesprek aan te nemen. Ik was tot dan toe van mening dat handsfree bellen net zo iets is als praten tegen een passagier in mijn auto. Ook dan moet ik weleens tijdens een gesprek zeggen: “Even wachten, even opletten …”. Zo riep ik tijdens dat binnenkomende telefoongesprek naar de speaker een momentje geduld te hebben. Tussen de vrachtwagens door schoof ik twee banen op. Het ging als vanzelf, het ging goed, niemand toeterde. En toch. Ik was me na het invoegen vrijwel direct bewust van het feit dat ik de telefoon automatisch aannam. Ik had hem ook kunnen laten gaan, ik was immers aan het invoegen.

Vroeger kon ik niet in de auto bellen. Was dat beter? Het betekent voor mij iets anders dan dat ik het nu nooit moet doen. Thuis op de bank naar mijn smartphone kijken is denk ik evenmin altijd onwenselijk. We kunnen ons wel afvragen wanneer wel of niet onze telefoon te gebruiken. Bijvoorbeeld als we met elkaar aan tafel zitten. Of als ik kook of een stuk ga fietsen. Is het strikt noodzakelijk om naar mijn scherm te loeren als ik met mijn kleinkinderen een uitstapje maak? Laat ik dan mijn telefoon thuis of doe ik hem in mijn tas met het geluid uit?

In de hal zoemt mijn iPhone. Lekker laten zoemen. Ik schrijf een blog.

 

Maassluis, 28 mei 2018

Lezen en schrijven

Mijn grootste doel: de lezers bereiken. Zonder hen besta ik niet, leven mijn verhalen minder.
– Renate Dorrestein –

Lezen en schrijven gaan hand in hand. Ik heb nog leren lezen met de leesplank: Aap, Noot, Mies, Wim, Zus, Jet, enzovoort … De lettergrepen van Wei-de en Scha-pen werden gescheiden door liggende streepjes en boven de zeventien woorden hoorden plaatjes. Aap droeg een rood jasje, Jet speelde met haar pop. Ik kreeg een doosje met losse letters bij de leesplank, ze moesten op dezelfde letters van de woorden neergelegd worden. Na een keer of vijf vond ik er niets meer aan. Ik keek liever naar buiten, naar de kat die omhoog klom in één van de kastanjes op het schoolplein of ik bemoeide me omgedraaid in mijn stoel met andere kinderen. Op mijn allereerste rapport kreeg ik een vijf voor lezen. De juf schreef in keurig schoonschrift: “Jammer, Angela kletst enorm. Ze is snel afgeleid”.

Heden ten dage denk ik dat ik me zat te vervelen. Ik kende toch allang de letters en de woorden? Het was zelfs zo dat ik na schooltijd stiekem éen van de boekjes over Ot en Sien uit de kast meenam omdat we daar nog niet waren en ik wilde weten hoe het verder ging.  Hoe oud was ik toen voor het eerst een stukje van mij in de schoolkrant verscheen? Mijn oma had een handje meegeholpen: het is lente/ de bloemen komen uit/ ik hoor een vogel die fluit/ je hoort hem wel maar ziet hem niet/ ik keek in alle hoeken/ik zocht totdat ik hem vond/maar toen zag ik een grote hond/en blaffen dat hij deed.

Ik ben altijd blijven lezen en heb altijd geschreven. Steeds met helpende handen in mijn omgeving, vooral de handen van veel auteurs. Of ze hun boeken nu schreven met een pen tussen de vingers, achter een tekstverwerker of beide. Want om verhalen te bedenken en ze op te kunnen schrijven is het belangrijk ernaast doorgaand te lezen. Niet alleen vanwege technieken: hoe doen die schrijvers dat? Hoe krijgen ze op een geloofwaardige manier een verhaal op papier? Hoe kun je van losse aantekeningen een groter geheel maken? Wil ik letterlijk of figuurlijk schrijven? Lezen heeft me vooral geleerd dat het juíst interessant kan zijn om dingen op te schrijven die ik niet snel hardop zeg of durf te zeggen in plaats van me zorgen te maken of andere mensen het zullen afwijzen of niet. Ik was verbijsterd toen ik voor het eerst een door mij nog onuitgesproken thema terugvond in een roman.

Een schrijfster die nergens voor terug leek te deinzen was Renate Dorrestein. Ze werd op Hemelvaartsdag 2018 begraven. Echt wat voor haar, schoot me te binnen; echt wat voor de vrouw die in haar laatste interview zei: “Natuurlijk lukt het mij om dood te gaan”. Wij lezers moeten het doen met haar erfenis. En wat voor een. Het ging Renate om de lezers en niet of ze wel literair genoeg was. Daar hou ik van. Van de meer dan dertig boeken van haar hand, las ik er zeker tien. Ik weet nog steeds waarover ze gingen, ik herinner me kleinere of grotere details. Een personage dat gek wordt van Vivaldi’s eeuwige ‘Vier Jaargetijden’ op de achtergrond bijvoorbeeld; een immens zware vrouw die haar wezen diep in zichzelf verborgen weet; een ouder die haar kinderen doodt. Renates eigen zoektocht langs artsen en alternatief genezers toen ze de ziekte ME kreeg; bijzondere namen van personages zoals Agrippina, Iola en Lupo, of Sterre toen die naam nog niet in de mode was.

Ik las in 1992 voor het eerst een boek van Renate Dorrestein en nu, ruim een kwart eeuw later, heb ik dus nog niet al haar titels gelezen maar “Weerwater” dat in 2015 uitkwam wel. In dit boek is de wereld vergaan op de stad Almere na. Renate speelt naast andere figuren zelf ook een rol in het geheel en met gemak laveert ze van het Maastrichtse Vrijthof richting haar onderkomen in Almere, de Fantasie. Vastberaden sleept ze me mee doorheen een stad met bewoners die proberen op te krabbelen na een Apocalyps. Renate doet dat zo overtuigend dat ze me nergens laat twijfelen of het wel klopt wat ze schrijft. Ik leef mee met de personages zonder dat ik direct een idee heb waar het allemaal naartoe leidt. Daarmee is het voor mij tot op het laatst een spannend boek met hier en daar verrassende wendingen.

Haar boeken liggen dichtbij Renate Dorrestein zelf. Ze sloot aan bij haar publiek. Daarover gaf ze in het hoofdstuk ‘Voor wie schrijf je?’ in “Het geheim van de schrijver. Voor iedereen die graag leest of schrijft” zelf aan: “Het is vooral de pro-Dorresteinlezer van wie ik het moet hebben, dat onbekende individu in wiens hoofd mijn verhaal zijn vervulling vindt, die vreemdeling ook, die mijn hypotheek betaalt. Zonder hem zouden, hoe je het ook wendt of keert, mijn werk en ik niet bestaan.” Renate was niet bang voor de dood. Ze geloofde in een leven in het hiernamaals. Iedereen van wie ze heeft gehouden en die ze al heel lang miste zou met uitgestrekte armen op haar te wachten. Ik hoop van harte dat haar door zelfdoding gestorven zusje waarover ze eveneens een boek schreef, vooraan stond.  Vanaf hier beneden roep ik haar nog na: “Vaarwel, Renate. Wat heb je ons veel gegeven … Je bent niet echt weg. Ik kan je nog steeds lezen, herlezen en nog eens herlezen …”.

Maassluis, 14 mei 2018

Schrijf de kanker van je af (2)

26 april j.l. schreef ik naar aanleiding van het artikel Schrijf de kanker van je af in dagblad Trouw over Daniëlle Steekelenburg-Boeters en haar boek “Tumor! Ik wil leven”.
Ik ben sinds 1998 rouwbegeleider en ben nog nooit iemand tegengekomen die hetzelfde rouwt, al zijn er natuurlijk wel overeenkomstige thema’s waar mensen na een verlies mee te maken hebben. Bonnie Groenewout begon net als Daniëlle kort nadat zij de diagnose kanker kreeg met schrijven. Zij deed dit door het publiceren van een blog.
Nu had ik 26 april al het idee om ook aandacht te besteden aan deze manier van schrijven over kanker, maar dacht al snel: hoe ga ik dat doen? Net zoals m.i. niemand op dezelfde wijze rouwt, heeft iedereen een eigen schrijfstijl. Aan de stijl kun je veelal de schrijver herkennen. Zo hóór ik bij wijze van spreken Bonnie vertellen als ik haar blogs lees. Ik herken, ik kan het niet anders noemen, haar uitbundigheid daarbij. Omdat Bonnie en ik elkaar sinds 2010 regelmatig tegenkomen, onder andere om ervaringen met betrekking tot het schrijven van proza uit te wisselen, dacht ik: weet je wat, laten we gezellig samen aan de keukentafel gaan zitten. Laten we erover praten. Bonnie vond het prima. De eerlijkheid gebiedt me te bekennen dat ik een geheime agenda had. Misschien kon ik tegelijk iets van haar leren met betrekking tot bloggen. Ik begin er immers net mee, zij is inmiddels doorgewinterd.Achteraf gezien is het een beetje uit de hand gelopen theekransje geworden. We hebben lang, veel en serieus gepraat, associatief vooral; Bonnie met haar laptop binnen bereik. Zelf had ik een notitieboekje bij de hand. Ik heb hierin nu 10 pagina’s met treffende uitspraken van Bonnie. Ernaast lees ik haar tips terug, waarom ze is gaan schrijven, wat de blogs haar hebben gebracht, waarmee ze is begonnen. Maar ook de vraag: wanneer eindig je met bloggen als het over kanker gaat?
Bonnie had voordat ze wist dat ze kanker had al Krablog aangemaakt. Ze leeft behalve met kanker eveneens met eczeem en astma. Zij wilde gaan bloggen over eczeem, over haar ervaringen tijdens een heel zware behandeling. Alleen werd ze moe, zo moe dat ze niet kon geloven dat dit door die behandeling kwam. Na bloed- en vervolgonderzoeken bleek dat zij endeldarmkanker had.
“Weet je,” zegt Bonnie, “ik dacht bij mezelf: in het logo van de van de kankerstichting zit ook een krab. Ik had toch nog niets over eczeem geschreven, ik kon het ook over kanker hebben. Ik vond het een mooie manier om iedereen te laten weten hoe het met me ging. In het begin schreef ik heel veel, toen een tijdje niets, totdat mensen gingen vragen om meer. Al was het voor sommigen confronterend, tegelijkertijd zeggen mensen dat ze er ook iets aan hebben. Het zet hen aan het denken… Maar ook heel vaak hoor ik: ‘sorry hoor, maar ik moet zò ontzettend lachen om wat jij schrijft’”. Bonnie benadrukt dat ze kanker niet wil bagatalliseren maar dat ze behalve ingrijpende gebeurtenissen ook veel grappige en absurde situaties meemaakt.
“Je moet het natuurlijk wel willen zien of misschien wel kunnen zien. Ik ga niet heel de dag denken: dat heb ik weer: kanker. Of: Waarom?! Dat heb ik me trouwens geen moment afgevraagd. Wat schiet ik daarmee op? Ik wil duidelijk maken dat je op een andere manier naar kanker kunt kijken. En trouwens, er gebeurt toch nog méér in mijn leven?” Bonnie vertelt dat het schrijven haar veel heeft gebracht. Om te beginnen is zij als zij iets schrijft het ‘kwijt’. Ze laat evengoed iets na; als ze er ooit niet meer is zijn haar blogs er nog wel. Ze is anders naar mensen gaan kijken en zoekt voor het eerst in ons gesprek naar woorden, het lijkt of ze eigenschappen van mensen versterkt is gaan waarnemen, dingen die ze altijd al bij mensen zag lijken nu scherper zichtbaar. Ze vervolgt: “Bloggen opent ook deuren. Mensen durven makkelijker met me over kanker te praten als ze mijn blogs lezen. Het geeft inzichten, niet alleen aan hen, ik krijg ze evengoed. Ik leef nu, ervaar steeds hoe het nù is. En als ik na zo’n lange tijd teruglees wat ik heb geschreven zie ik hoe ik zelf ben veranderd, hoe ik heb gerouwd. Hoe ik bepaalde dingen niet meer kon doen, zoals dansen; maar toch weer heb opgepakt, alleen aangepast. Met het schrijven parkeer ik niet alleen, het geeft me ook energie. Nu inmiddels mijn CEA waarde voor de tweede keer normaal is, wat betekent dat er geen actieve kankercellen in mijn lijf waarneembaar zijn, vraag ik me af of ik niet over andere dingen zal gaan bloggen. Daar ben ik nog niet helemaal uit …”
Ik vraag naar do’s en don’ts. Naar tips. Ineens roept Bonnie “We lijken Aagje Deken en Betje Wolff wel! Dan ben jij Aagje want jouw naam begint ook met een A en ik ben Betje. Zij waren net als wij heel verschillend …” In mijn hoofd verschijnt een plaatje van een geducht schrijversteam uit de achttiende eeuw. Bonnie giert uit en roept: “Jij wilde tips?” Ze pakt haar laptop en googelt op mijn naam. Ik zie beeldscherm breed een reclame van een gratis gemaakt gordijn: Angela Groen. Te koop in een bekende winkel. “Waahoeee, van Deken naar Gordijn. Zorg maar dat die niet bovenaan staat.” Ik lach mee. Het is net of ik in een Krablog ben beland.

Maassluis, 1 mei 2018

Schrijf de kanker van je af (1)

Op 11 april j.l. stond boven een artikel in dagblad Trouw de kop Schrijf de kanker van je af. In het artikel las ik dat veel patiënten na de behandeling worstelen met levensvragen. De grote ‘waarom ik’ vraag maar ook: heeft het leven nog wel zin en hoe nu verder? “Het kant-en-klare zingevingskader is voor veel mensen verdwenen.” Na het lezen van het artikel dacht ik meteen aan twee vrouwen die niet na de behandeling van kanker maar direct of relatief kort na deze diagnose begonnen met schrijven. Bij beide heb ik dit proces mogen meemaken. Ik wil in deze blog hier aandacht aan besteden, vandaag aan het verhaal van Daniëlle Steekelenburg-Boeters en haar boek:

Een hersentumor. Ga er maar aanstaan als je deze diagnose krijgt. De impact is groot, aan werkelijk alle aspecten van het leven wordt geschud.
In de eerste plaats is het eigen bestaan in het geding, hiernaast is het van invloed op het leven van geliefde naasten, familie, vrienden, collega’s en kennissen. Mensen dichtbij en verder weg.
Het kan niet anders dan dat de diagnose gepaard gaat met rouwreacties. In dit geval verlies van gezondheid en alles wat daarmee samenhangt. Er moet hard gewerkt worden om te kunnen rouwen, dit wordt wel Rouwarbeid genoemd. Waarbij er vier taken zijn:
Erkennen (onder ogen zien van wat er aan de hand is, wat kan er wel of niet aan gedaan worden, wat zijn de consequenties)
Herkennen (van de basis emoties, angst, boosheid, verdriet en ook vreugde)
Verkennen (omdat alles wat eerst zo ‘gewoon’ was nu niet meer zo is. Het vraagt om nieuwe vaardigheden. Welke?)
Verbinden (deel uitmaken van dit leven, van deze maatschappij, deze wereld)

Nogmaals: Ga er maar aanstaan. Hoe kun je dat doen?

Het gevaar bij het noemen van vier taken is dat rouwen wordt gezien als het afvinken van een lijstje. Hoe vaak wordt niet gezegd: het-een-plekje-geven. Liever wordt gesproken over: met het verlies leren leven. Omdat gevolgen van de diagnose in meer of mindere mate blijvend aan de orde zijn. Omdat er een leven voor en na de diagnose is. Daniëlles leven zal nooit meer zijn zoals voor de diagnose. Ze zegt het zelf heel treffend: Dit is mijn tweede leven.
En om in dit tweede leven vooruit te kunnen varen, kun je het rouwen vergelijken met roeien in roeiboot. Er zijn twee peddels, de ene peddel geeft aandacht aan het verlies; de tweede peddel geeft aandacht aan het herstel. Wat gebeurt er als je met één peddel vaart? Beide peddels zijn noodzakelijk.
Schrijven heeft veel in zich, alles wat in onze gedachten en emoties zich verzamelt, kunnen we inzichtelijk maken door het letterlijk zwart op wit te zetten. Daar stáát het. Het is er. Dat hoeft helemaal niet in prachtige boekwerken. En al helemaal niet direct. De één schrijft enkele woorden, losse zinnen, het blijft daarbij; bij de andere vloeit het achter elkaar de pen uit.

Wat bij veel mensen gebeurt bleek ook voor Daniëlle van belang. Ze wil haar verhaal delen. Een verhaal dat als een steentje in het water gegooid kan worden, het water beweegt, steeds verder. Hoe mooi is het om met het verhaal ook in verbinding te zijn met de maatschappij. Er zullen ook onbekenden behoefte hebben aan informatie. Wat betekent het om de diagnose tumor te krijgen? Hoe kun je daar gaan aanstaan?
Daniëlle kon destijds zo’n boek niet vinden. Het is er nu wel.

De stijl is de schrijver zegt men wel eens. Bij het lezen van dit boekje is mij duidelijk dat Daniëlles pen vloeide. Met “Tumor. Ik wil leven! ” heeft zij met een gezonde dosis humor een krachtig, inzichtelijk, ontroerend boek geschreven. Prettig en vlot leesbaar.
Kortom: Daniëlle in verbinding met zichzelf en de wereld om haar heen.

Maassluis, 26 april 2018

Belofte

Ik ben een mens van de seizoenen, ik leef van de lente naar de zomer, naar de herfst en winter, naar de lente. Weer en weer. Misschien daarom wel spreekt een van de gedichten van Jules Deelder me zo aan, telkens als ik dwars door de Europoort rijd en levensgroot op een loods zie staan: Alles blijft, alles gaat voorbij, alles blijft voorbij gaan. Misschien is het ook niet zo toevallig dat vijf jaar geleden tussen allerlei kaarten met teksten juist deze woorden van Deelder er tussenuit sprongen. Ik stond aan de vooravond van rouw na een serie ingrijpende verliezen, met als eerste verlies het overlijden van mijn jongste broer Michel door zelfdoding. Kort erna zouden ook mijn broer Ron overlijden en mijn vader. Het gezin waarin ik opgroeide was gehalveerd. Vanzelfsprekend maakte het niets uit dat ik sinds 1998 rouwbegeleider ben. Ik had en heb een weg voort te zetten met dit verlies. Ik heb ermee te leven. Kort na het overlijden van mijn jongste broer sprong dus die kaart met Alles blijft, alles gaat voorbij, alles blijft voorbij gaan er tussen uit. Ik bestelde een hele stapel om mensen te bedanken voor hun blijken van medeleven. Achteraf gezien, kocht ik die kaart ook als een belofte aan mezelf. Ik denk daar de laatste dagen steeds aan. Ik heb me, denk ik nu, steeds aan de woorden vastgehouden; ook toen mijn vader en Ron stierven.
Als kind dacht ik dat alles er altijd zou zijn, mijn oudste broertje met zijn gekkigheden, verzinner van spannende avonturen, hij durfde zoveel meer dan ik; ik dacht dat mijn vader er altijd zou zijn, dat ik altijd naast hem zou kunnen zitten in de vrachtwagen. Ik mocht zelfs met hem mee toen hij een tijdje geen vrachtwagenchauffeur was maar nachtwaker. Hij was voor niemand bang en liep fluitend door verlaten gebouwen op zoek naar inbrekers. Ik hoorde in de verte zijn voetstappen wegsterven. En zeker dacht ik dat mijn jongste broertje er altijd zou zijn. Met zijn zacht bruine ogen, glanzend. Zijn gegiechel.
Wat hielp, was dat ik me bewust was van de noodzaak van aandacht voor verlies en aandacht voor herstel. Ik wilde koste wat het kost deel blijven uitmaken van deze wereld, naast dat er aandacht zou moeten zijn voor het verlies. Dáar hoefde ik weinig moeite voor te doen. Een paar jaar was de meeste lol grotendeels van het leven af. Als ik naar de heide ging om bij te komen, genoot ik niet zoals anders, van de uitgestrektheid, de rust en stilte; nee, ik maakte foto’s van dode bomen, eentje midden op een veld, of van duo’s en een groepje van drie. Die zou ik dan in serie gaan schilderen bedacht ik. Dat bracht ik niet op. Ik heb wel allerlei andere dingen gedaan, geschreven en alternatieve schilderijen gemaakt; gepraat, gepraat, gepraat; naar muziek geluisterd, gewandeld, gefietst.

En wonder of niet, ik kon ook mijn werk blijven doen, eerst aangepast, gedoseerd, maar toch; mijn verlies is niet het verlies van een ander. Ik moest enerzijds een manier vinden met de achtereenvolgende overlijdens te leven en was anderzijds geen moment op zoek naar ander werk. Ondertussen reisden en reizen mijn vader en broers met mij mee, ieder op hun eigen manier, heel divers, allerlei emoties zijn voorbij gekomen. Hoe dan ook wilde ik weer lol krijgen in het leven. En ineens, uit het niets, op een punt dat ik dacht dat ik nooit meer echt blij zou kunnen zijn, werd het lente. Ik zag raapzaad in de wegbermen omhoogschieten. Binnen enkele dagen was de wereld ermee bezaaid. Net zoals ik ook dezer dagen de wegkanten stralend geel zie kleuren. Net als toen herinner ik me ook nu weer hoe ik met Michel in de auto zat, hij voor de laatste keer tastbaar naast me. Ik herinner me weer hoe we lachten, om de bizarre dingen die we mee hebben gemaakt, hoe het sinds lang goed met hem ging. Hoe de hemel blauw kleurde, en de zon over eindeloze weilanden scheen. In de bermen groeide het raapzaad.

Maassluis, 25 april 2018